ECLI:NL:GHARN:2003:AF7114

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
25 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02-00474
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C.M. de Kroon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 14 EVRMArt. 1 GrondwetArt. 26 IVBPRArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op jonggehandicaptenaftrek en vertrouwensbeginsel in inkomstenbelasting 2000

Belanghebbende, geboren in 1940 en arbeidsongeschikt, ontving in 2000 een WAO-uitkering en looninkomsten. Hij deed aangifte inkomstenbelasting met toepassing van de jonggehandicaptenaftrek op grond van een Wajong-uitkering, wat niet juist bleek. De Inspecteur corrigeerde dit in de definitieve aanslag, waarna belanghebbende bezwaar maakte.

Het geschil betrof het recht op de jonggehandicaptenaftrek en het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de voorlopige teruggaaf. Het hof stelde vast dat belanghebbende geen Wajong-uitkering had genoten en derhalve geen recht had op de aftrek volgens artikel 55, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Belanghebbendes beroep op discriminatie tussen WAO- en Wajong-gerechtigden faalde omdat geen sprake was van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan bewijs van begunstigend beleid of toepassing van de aftrek bij vergelijkbare gevallen.

Ten slotte werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat een voorlopige teruggaaf geen definitief standpunt van de Inspecteur inhoudt, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, welke hier ontbraken.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees kostenveroordeling af.

Uitkomst: Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag zonder toepassing van de jonggehandicaptenaftrek.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerste enkelvoudige belastingkamer
nummer 02/00474 (inkomstenbelasting)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende .: [X]
te : [Z]
verweerder : de Inspecteur van de Belastingsdienst/Particulieren [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 2000
nummer : […H06]
mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden
gronden:
1. Belanghebbende, geboren in 1940, is arbeidsongeschikt en ontvangt in het onderhavige jaar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-uitkering) van ƒ 41.413. Daarnaast heeft hij ƒ 10.031 aan looninkomsten genoten.
2. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 47.680. In zijn aangifte heeft belanghebbende aangegeven dat hij in aanmerking komt voor een verhoging van de belastingvrije som in verband met een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong-uitkering). De voorlopige teruggaaf 2000 is overeenkomstig zijn aangifte berekend.
3. Aan belanghebbende is met dagtekening 23 oktober 2001 een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 opgelegd, waarbij de verhoging van de belastingvrije som in verband met de Wajong-uitkering (de jonggehandicaptenaftrek) is gecorrigeerd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de thans bestreden uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd.
4. In geschil is of belanghebbende recht heeft op voornoemde jonggehandicaptenaftrek en of belanghebbende vertrouwen mocht ontlenen aan de verleende voorlopige teruggaaf.
5. Ingevolge artikel 55, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geniet de belastingplichtige de jonggehandicaptenaftrek indien hij in het kalenderjaar een Wajong-uitkering geniet, tenzij hij de ouderenaftrek geniet.
6. Vaststaat dat belanghebbende in het jaar 2000 geen Wajong-uitkering heeft genoten. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op de jonggehandicaptenaftrek op grond van artikel 55, zevende lid, van de Wet. Het ligt niet op de weg van het Hof te beslissen op grond van welke wettelijke regeling recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
7. Het Hof verstaat belanghebbendes beroep op de artikelen 14 EVRM, artikel 1 van Pro de Grondwet en artikel 26 IVBPR Pro aldus dat belanghebbende meent dat sprake is van een verboden (wettelijke) discriminatie tussen de verschillende categorieën arbeidsongeschikten, met name tussen Wajong-uitkeringsgerechtigden en WAO-gerechtigden. Dit beroep faalt omdat ter zake geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Bij de totstandkoming van voornoemd artikel 55, zevende lid, van de Wet is duidelijk aangegeven dat personen met een Wajong-uitkering voor een groot deel - anders dan andere arbeidsongeschikten - van jongs af aan, nooit de gelegenheid hebben gehad om aan het arbeidsproces deel te nemen en zichzelf een betere inkomens- en sociale verzekeringspositie te verwerven.
8. De stelling van belanghebbende dat in een tweetal gevallen van andere cliënten van zijn gemachtigde de jonggehandicaptenaftrek wel is toegepast, verstaat het Hof aldus dat hij op grond van het gelijkheidbeginsel eveneens aanspraak maakt op de in artikel 55, zevende lid, van de Wet genoemde aftrek. Voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel is ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 16 december 1998, nr. 33 327, BNB 1999/165 c* buiten de gevallen van het bestaan van een begunstigend beleid of het oogmerk van begunstiging door de Inspecteur, slechts ruimte indien vast komt te staan dat de Inspecteur in een meerderheid van de gevallen de aan belanghebbende geweigerde aftrek heeft toegepast bij personen die evenals belanghebbende geen recht hebben op voornoemde aftrek. In overeenstemming met het processuele karakter van die meerderheidsregel dient daarbij slechts rekening te worden gehouden met gevallen die het desbetreffende bestuursorgaan bekend zijn. Voor de Belastingdienst zijn dat de gevallen ten aanzien waarvan het hoofd van de desbetreffende eenheid bevoegd is. Gevallen van buiten die eenheid kunnen wel meewerken aan het bewijs dat er sprake is van een op hoger niveau gecoördineerd beleid of van beleid van een andere eenheid dat bij een behoorlijke taakvervulling van de eenheden onderling had moeten worden afgestemd.
9. Nu belanghebbende niet gesteld of aannemelijk gemaakt heeft dat sprake is van begunstigend beleid of oogmerk van begunstiging en hij geen enkel bewijs heeft bijgedragen voor zijn stelling dat op een behoorlijk aantal eenheden van de Belastingdienst, laat staan in de meerderheid van de gevallen zoals dat van belanghebbende, de bedoelde jonggehandicaptenaftrek is toegepast, moet zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.
10. Voorts stelt belanghebbende dat de voorlopige teruggaaf over het jaar 2000 conform de ingediende aangifte is vastgesteld en dat hij daaraan het vertrouwen mocht ontlenen dat die teruggaaf ook juist was vastgesteld. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin nu aan een voorlopige aanslag krachtens constante jurisprudentie geen betekenis toekomt, tenzij er sprake is van omstandigheden op basis waarvan belanghebbende in redelijkheid mocht aannemen dat de Inspecteur een expliciet standpunt had ingenomen. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.
slotsom:
Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan op 25 februari 2003 door mr. M.C.M. de Kroon, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Sitsen als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(J.M. Sitsen) (M.C.M. de Kroon)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 maart 2003
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.