ECLI:NL:GHARN:2003:AF7120

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
20 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02-03974
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.M. van Schie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake arbeidsrelatie en belastingplicht

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 20 februari 2003 uitspraak gedaan in een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot de arbeidsrelatie van belanghebbende, die indirect aandeelhouder is van een besloten vennootschap (b.v.) en betrokken was bij een maatschap in de accountancy en belastingadviezen. De belanghebbende had verzocht om een verklaring arbeidsrelatie, omdat hij per 1 mei 2002 uit de maatschap zou treden, maar nog een aantal uren voor de maatschap zou werken. De inspecteur van de Belastingdienst had echter een beschikking afgegeven waarin artikel 3.157 van de Wet IB 2001 van toepassing werd verklaard, wat de belanghebbende niet kon aanvaarden. Hij stelde dat hij recht had op toepassing van artikel 3.156 van de Wet IB 2001, dat zekerheid biedt over de aard van de arbeidsrelatie.

Tijdens de mondelinge behandeling op 6 februari 2003, waarbij beide partijen aanwezig waren, heeft de belanghebbende zijn standpunt toegelicht. Het Hof oordeelde dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van voor eigen rekening uitgevoerde werkzaamheden die als het drijven van een onderneming konden worden aangemerkt. De door de belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden waren onvoldoende om zijn visie te onderbouwen, en de activiteiten die hij noemde, vonden voornamelijk na de beschikking plaats.

Het Hof concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen, omdat de belanghebbende niet had aangetoond dat er sprake was van een spoedeisend belang. De kostenveroordeling werd niet toegewezen, en de uitspraak werd openbaar uitgesproken door de voorzieningenrechter, mr. P.M. van Schie, in aanwezigheid van de griffier, mevrouw mr. Jansen. Tegen deze uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
voorzieningenrechter
nummer 02/3974
Proces-verbaal mondelinge uitspraak voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuurrecht
belanghebbende : [X]
te : [Z]
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : beschikking verklaring arbeidsrelatie als bedoeld in artikel 3.157. van de Wet IB 2001, gedateerd 23 augustus 2002
nummer : [VAR…]
mondelinge behandeling : op 6 februari 2003 te Arnhem
waarbij verschenen : beide partijen, alsmede [A] tot bijstand van belanghebbende
gronden:
1. Belanghebbende is indirect aandeelhouder van een besloten vennootschap (hierna de b.v.) die maat was in een maatschap die actief is op het gebied van accountancy en belastingadviezen.
2. In april 2002 is in de vergadering van de maatschap besloten dat de b.v. per 1 mei 2002 en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 uit de maatschap zal treden.
3. Belanghebbende zou voor de maatschap in het jaar 2002 nog maximaal 600 uur werken, zulks op grond van een morele verplichting om de relaties op een fatsoenlijke manier af te werken en bedoeld als afbouw en overdracht van het cliëntenbestand van de maatschap en in het jaar 2003 nog maximaal 100 uur. Vanaf zijn uittreden werkte belanghebbende feitelijk nog voor vier cliënten van de maatschap.
4. Naast de hiervoor bedoelde werkzaamheden ambieerde belanghebbende het opzetten van een eigen praktijk als specialist op het gebied van pensioenen en echtscheiding. Daartoe heeft hij in de loop van het jaar 2002 contacten gelegd met onder meer enkele notarissen, maar in verband met het afwerken van de zaken van de maatschap had belanghebbende in 2002 onvoldoende tijd om aan aquisitie te doen. Voorts is hij het souterrain van zijn woning gaan inrichten als kantoorruimte, welke ruimte in februari 2003 gereed zal zijn.
5. Bij brief van 29 apri1 2002 verzocht de b.v. de inspecteur om vooroverleg in het kader van uittreden uit de maatschap. Met dagtekening 26 juli 2002 diende belanghebbende een formulier Aanvraag verklaring arbeidsrelatie in.
6. Bij beschikking met dagtekening 23 augustus 2002 verklaart de Inspecteur artikel 3.157 van de Wet IB 2001 van toepassing. Belanghebbende wenst evenwel toepassing van de regeling van artike1 3.156 van die wet ten aanzien van de voor eigen rekening uitgevoerde werkzaamheden.
7. De regelingen van afdeling 3.15 van de Wet IB 2001 zijn bedoeld om voor belastingplichtige zekerheid te verschaffen omtrent de aard van de voordelen uit een arbeidsrelatie onderscheidenlijk voor belastingplichtigen met een aanmerkelijk belang zekerheid omtrent de aard van de arbeidsrelatie. De regeling beoogt blijkens artikel 3.156, leden 2 tot en met 6 van de Wet IB 2001 zekerheid te verschaffen op grond van door de belastingplichtige gepresenteerde feitelijke omstandigheden, terwijl wijziging van die omstandigheden aanleiding kan vormen tot herziening. Een en ander met een in de tijd beperkte geldigheid. In de regeling ligt besloten dat de beoordeling van de relevante feitelijke omstandigheden plaatsvindt naar het tijdstip van het afgeven van de beschikking.
8. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, maakt met hetgeen hij aanvoert tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk dat, beoordeeld naar het in 7. bedoelde tijstip, reeds sprake was van zodanige voor eigen rekening uitgevoerde werkzaamheden dat deze zijn aan te merken als het drijven van een onderneming. De door belanghebbende genoemde activiteiten, waarvoor belanghebbende die daartoe in staat zou moeten zijn geen enkel concreet gegeven of stuk heeft aangevoerd, betreffen kennelijk in hoofdzaak ontwikkelingen die zich na het afgeven van de beschikking hebben voorgedaan. Zoals de Inspecteur terecht betoogt bieden de door belanghebbende bij zijn verzoek aangevoerde feitelijke omstandigheden onvoldoende grond voor de door belanghebbende verdedigde visie.
9. Het vorenstaande voert in de bodemprocedure tot de slotsom dat het beroep niet gegrond is.
10. De voordelen die mogelijk zijn verkregen uit de maatschap vallen volgens de beslissing in de bodemprocedure in de b.v. conform het standpunt van de Inspecteur. Met betrekking tot belanghebbendes voor eigen rekening uitgevoerde werkzaamheden zijn door belanghebbende geen opbrengsten aangevoerd die zouden kunnen leiden tot onherroepelijke fiscale gevolgen. En ook overigens maakt belanghebbende niet aannemelijk dat en waarom sprake is van een spoedeisend belang.
11. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof wijst het verzoek af.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2003 door mr. Van Schie, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. Jansen als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier is verhinderd dit de voorzieningenrechter
proces-verbaal te tekenen
(P.M. van Schie)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 maart 2003.
Tegen deze uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk.