ECLI:NL:GHARN:2003:AF7404
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rutgers van der Loeff
- Otte
- Lauwaars
- Rechtspraak.nl
Beëindiging terbeschikkingstelling na verminderd delictgevaar ondanks onbehandelde persoonlijkheidsstoornis
Het gerechtshof Arnhem heeft op 14 april 2003 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Breda van 11 juni 2002, waarin verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging werd bevolen voor een periode van twee jaar. De terbeschikkinggestelde en zijn raadsman verzochten om beëindiging van de maatregel, dan wel om een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.
De forensische adviezen wezen op een onbehandelde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en obsessief-compulsieve trekken, en op de ontkenning van de delicten waarvoor de TBS was opgelegd. Desondanks stelde het hof vast dat het delictgevaar aanzienlijk was verminderd, mede doordat de delicten situatief waren en de terbeschikkinggestelde inmiddels in een huwelijk was getreden met een vrouw met een bijna zestienjarige zoon, waardoor het risico op herhaling werd ingeschat als gering.
Het hof oordeelde dat de veiligheid van personen voldoende was gewaarborgd en dat verlenging van de maatregel niet langer noodzakelijk was. De vordering van de officier van justitie tot verlenging werd afgewezen en de terbeschikkingstelling werd beëindigd. Een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging werd niet toegestaan omdat de reclassering geen inhoudelijke begeleiding wilde bieden, waardoor een geleidelijke terugkeer in de samenleving niet mogelijk was.
De uitspraak bevestigt het belang van een afweging tussen het delictgevaar, de aard van de stoornis, maatschappelijke integratie en de praktische mogelijkheden voor begeleiding buiten de kliniek bij de beoordeling van verlenging of beëindiging van TBS-maatregelen.
Uitkomst: De terbeschikkingstelling wordt beëindigd wegens verminderd delictgevaar; een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging wordt afgewezen.