ECLI:NL:GHARN:2003:AI0212

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
9 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02-00444
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 47 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrekbaarheid kosten mobiele telefoon en bijdrage televisieprogramma voor inkomstenbelasting

Belanghebbende stelde dat de kosten van een mobiele telefoonabonnement en een betaling voor deelname aan een televisieprogramma als aftrekbare kosten en giften in aanmerking moesten worden genomen bij de inkomstenbelasting 1997.

Het hof oordeelde dat kosten van telefoonabonnementen, inclusief mobiele telefoons, niet aftrekbaar zijn op grond van artikel 36 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Daarnaast werd vastgesteld dat de betaling van ƒ 1.500 voor deelname aan het televisieprogramma geen gift uit vrijgevigheid is, maar een verplichte bijdrage in ruil voor deelname, waardoor deze niet aftrekbaar is als gift volgens artikel 47 van Pro dezelfde wet.

Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat het televisieprogramma of het fonds waaraan werd bijgedragen een instelling was die onder de aftrekbare giften viel. Ook het feit dat belanghebbende wegens ziekte niet kon deelnemen deed hieraan niet af.

Het hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde het belastbare inkomen vast op ƒ 62.445, waarbij een telfout bij de berekening van de beroepskosten werd hersteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
derde meervoudige belastingkamer
nummer 02/00444(inkomstenbelasting)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
Belanghebbende : [X]
Te : p/a [Z]
Verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]
Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
Betreft : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997
Nummer : […H76]
Mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden
gronden:
1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
(a) behoren de kosten ten bedrage van ƒ 720 die belanghebbende heeft gemaakt voor het abonnement voor een mobiele telefoon tot de aftrekbare beroepskosten?
(b) behoort het betaalde bedrag van ƒ 1.500 voor deelname aan het televisie-programma '[a]' tot de aftrekbare giften?
Beide vragen worden door de belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend beantwoord.
Kosten abonnement mobiele telefoon
2. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel c (tekst 1997) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) behoren tot de aftrekbare kosten niet kosten die verband houden met telefoonabonnementen. De aansluiting van een niet-plaatsgebonden aansluiting zoals een mobiele telefoon volgt de regeling van de gewone telefoonaansluitingen. Aangezien de kosten van telefoonabonnementen van aftrek zijn uitgesloten, zijn ook de abonnementskosten van de mobiele telefoon niet aftrekbaar.
Aftrekbare giften
3. Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet is een aftrekbare gift een met schriftelijke bescheiden gestaafde gift aan een in Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling. Ingevolge het vierde lid van genoemd artikel wordt als gift aangemerkt een bevoordeling uit vrijgevigheid en een al dan niet verplichte bijdrage, voorzover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraak ontstaat.
4. In verband met deelname aan het televisieprogramma '[a]' is door belanghebbende en de producent van het programma een zogenoemde deelnemersverklaring opgesteld en ondertekend. Artikel 9 van Pro deze verklaring bepaalt:
"De deelnemer zal ten behoeve van de deelname aan het programma ƒ 1.500 (zegge: vijftienhonderdgulden) aan de producent betalen. Dit deelnamebedrag zal ten goede komen voor het [a] fonds. Terugvordering van dit bedrag is na deelname niet meer mogelijk."
5. Uit voornoemd artikel blijkt dat betaling van ƒ 1.500 een voorwaarde is voor deelname aan het televisieprogramma. Hieruit volgt dat geen sprake is van vrijgevigheid. Immers, deelname aan het televisieprogramma vormt alsdan de tegenprestatie voor het betaalde bedrag. Reeds om deze reden kan het betaalde bedrag niet worden aangemerkt als een aftrekbare gift. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het televisieprogramma en het daaraan gelieerde fonds aangemerkt kan worden als een in artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet bedoelde instelling.
6. De omstandigheid dat belanghebbende als gevolg van ziekte niet heeft kunnen deelnemen aan het programma doet aan dit oordeel niet af. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij - ondanks de uit artikel 9 van Pro de deelnemersverklaring voortvloeiende mogelijkheid daartoe - zijn bijdrage aan het televisieprogramma niet heeft kunnen terugvorderen.
7. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bevestigt de bestreden uitspraak;
- stelt het belastbare inkomen - conform het door de Inspecteur gestelde in zijn verweerschrift - vast op ƒ 62.445 (herstel van telfout bij de berekening van de beroepskosten).
Aldus gedaan op 9 juli 2003 door mr. M.C.M. de Kroon, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van mr. A.M.F. Geerling als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(A.M.F. Geerling) (M.C.M. de Kroon)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 juli 2003.
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.