ECLI:NL:GHARN:2003:AM0239
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.M. de Kroon
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep op aftrek huisvestingskosten onderneming in eigen woning
Belanghebbende, een zilver- en goudsmid met een eenmanszaak, voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2000 huisvestingskosten ten bedrage van ƒ 4.100 op als kosten van zijn onderneming. Deze kosten betroffen energie, onderhoud en verzekeringen van zijn atelier en werkruimte in zijn eigen woning. De Inspecteur weigerde deze kosten ten laste van het ondernemingsresultaat te brengen.
Het geschil spitste zich toe op de uitleg van artikel 8b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat aftrek van kosten voor werkruimte in de eigen woning beperkt indien de ondernemer ook soortgelijke werkruimte buiten de woning heeft, of indien niet meer dan 30% van het gezamenlijke inkomen in de werkruimte wordt behaald. Belanghebbende beschikte niet over soortgelijke werkruimte buiten de woning.
Het Gerechtshof stelde vast dat slechts 10,5% van het gezamenlijke inkomen uit onderneming en arbeid in de werkruimte werd behaald, wat niet voldoet aan de 30%-eis. Hierdoor kon de aftrek niet worden toegestaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op aftrek van huisvestingskosten wordt ongegrond verklaard.