ECLI:NL:GHARN:2003:AN7570
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen onjuiste voorlopige aanslag en toekenning proceskostenvergoeding
Belanghebbende diende op 7 maart 2002 een bezwaarschrift in tegen de tweede nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000, vanwege onjuiste verrekeningen van dividendbelasting. De Inspecteur reageerde op dit bezwaarschrift met een vermindering van de aanslag op 13 april 2002, ten onrechte aangeduid als kennisgeving in plaats van een uitspraak op bezwaar.
Belanghebbende stuurde op 17 april 2002 een brief die door het Hof werd aangemerkt als beroepschrift tegen de beslissing van 13 april 2002. Het Hof oordeelde dat het beroep ontvankelijk was en dat de Inspecteur een verzuim had begaan door de brief niet als beroepschrift door te sturen aan het Hof.
Het Hof stelde vast dat de definitieve aanslag van 11 mei 2002 de bezwaren van belanghebbende tegemoet kwam, waardoor het beroep tegen de voorlopige aanslag gegrond was. Tevens oordeelde het Hof dat de gemaakte fout door de Belastingdienst een onrechtmatige daad vormde, waardoor vergoeding van de kosten van belanghebbendes belastingadviseur passend was.
De vergoeding werd vastgesteld op € 80,50, conform het voorstel van de Inspecteur, gezien de beperkte omvang van de fout. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. Tegen de mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de onjuiste voorlopige aanslag wordt gegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.