ECLI:NL:GHARN:2003:AN9651

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02-03822
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.B.H. Röben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 4 GemeentewetArt. 234 lid 6 GemeentewetArt. 7 Verordening parkeerbelastingArt. 8:64 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken verbindende verordening

Belanghebbenden zijn geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het parkeren van hun voertuig op 5 augustus 2002 in Culemborg. De aanslag bedroeg €0,67 aan belasting en €41 aan kosten. Na bezwaar handhaafde de gemeente de aanslag, waarna belanghebbenden beroep instelden bij het Gerechtshof Arnhem.

Tijdens de procedure stond centraal of de gemeente verbindend kon voorschrijven dat de belasting uitsluitend met muntgeld via betaalapparatuur voldaan moest worden. Het hof constateerde dat de gemeente niet kon aantonen dat de relevante verordening en het aanwijzingsbesluit, die de heffing en invordering van de parkeerbelasting regelen, op de juiste wijze openbaar waren gemaakt en dus verbindend waren.

De gemeente gaf aan dat het aanwijzingsbesluit niet in het archief aanwezig was en waarschijnlijk niet snel boven water zou komen. Het hof oordeelde dat zonder deze verbindende regelgeving de naheffingsaanslag niet in stand kon blijven. Om proceseconomische redenen werd het onderzoek geschorst. Het beroep werd gegrond verklaard en de aanslag vernietigd. De gemeente werd veroordeeld het griffierecht van €29 aan belanghebbenden te vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd wegens het ontbreken van een verbindende en rechtsgeldige verordening.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
vijfde enkelvoudige belastingkamer
nummer 02/3822 (parkeerbelasting)
U i t s p r a a k
op het beroep van [X EN X-Y] te [Z] (hierna te noemen: belanghebbenden) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Culemborg (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1. Naheffingsaanslag en bezwaar
1.1. De naheffingsaanslag nr. [01] is opgelegd voor het parkeren van het voertuig met kenteken [AA-00-BB] op 5 augustus 2002 aan de Mariahof te Culemborg en bedraagt € 0,67 aan belasting en € 41,- aan in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 234, lid 6, van de Gemeentewet.
1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbenden heeft de verweerder bij uitspraak van 27 september 2002 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
2. Geding voor het Hof
2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 3 oktober 2002.
2.2. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift en de daarin genoemde bijlagen alsmede de conclusie van repliek. De verweerder heeft niet van hem geboden gelegenheid gebruik gemaakt een conclusie van dupliek in te zenden.
2.3. Bij het onderzoek ter zitting op 30 september 2003 te Arnhem zijn beide partijen met telefonische kennisgeving aan de griffier niet verschenen.
3. Conclusies van partijen
3.1. Belanghebbenden verzoeken in beroep de aanslag te vernietigen.
3.2. De verweerder concludeert nader tot gegrondverklaring van het beroep.
4. De vaststaande feiten
Bij ambtelijke controle op de onder 1.1 genoemde datum is geconstateerd dat het voormelde voertuig geparkeerd stond op de genoemde plaats zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting op aangifte was voldaan.
5. Het geschil en de standpunten van partijen
5.1. Partijen houdt verdeeld, of de gemeente verbindend kan voorschrijven dat de belasting op aangifte wordt voldaan door inwerkingstelling van de betaalapparatuur met uitsluitend muntgeld.
5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van haar afkomstige stukken.
6. Beoordeling van het geschil
6.1. Belanghebbenden betwisten in beroep niet dat, zoals kennelijk in de bezwaarfase het eenstemmige uitgangspunt is geweest, één van hen de auto ter plaatse heeft geparkeerd en beiden als parkeerder in de zin van artikel 225, lid 4, van de Gemeentewet zijn te beschouwen.
6.2. Volgens de derde wijziging van de 'verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelasting 1999' bedraagt het tarief voor het parkeren aan de Mariahof € 0,10 per tijdseenheid van 9 minuten.
6.3. Bij het verweerschrift is alleen van die derde wijziging de openbare bekendmaking van opneming in het regelingenbestand van de gemeente Culemborg (een gedeeltelijke overdruk van Pagina 16 van de 'Culemborgse Courant' van 28 november 2001) overgelegd, doch geen openbare bekendmaking van de oorspronkelijke 'verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelasting 1999', de eerdere wijzigingen hiervan en enig aanwijzingsbesluit ter uitwerking van artikel 7 en Pro eventueel artikel 11.
6.4. Bij de behandeling van een andere beroepszaak inzake parkeerbelasting van de gemeente Culemborg door de achtste enkelvoudige belastingkamer van dit Hof heeft de verweerder, na daartoe op zijn verzoek in de gelegenheid te zijn gesteld, het Hof op 4 november 2003 schriftelijk medegedeeld dat het aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 7 van Pro de voormelde verordening en de bekendmaking van dat besluit niet in het archief van de gemeente te vinden zijn en dat de kans niet groot is dat die stukken op korte termijn boven water komen. Aan die inlichting verbindt de verweerder de gevolgtrekking, dat dit gegeven moet leiden tot gegrondverklaring van de vier beroepszaken die onder de werking van de voormelde verordening aanhangig zijn gemaakt, waaronder de onderhavige.
6.5. Het Hof zal die gevolgtrekking overnemen. De naheffingsaanslag kan niet in stand kan blijven daar een naar de eis van de wet bekendgemaakte en dus verbindende verordening en aanwijzing als vorenbedoeld ontbreken.
6.6. Het Hof ziet er, nu belanghebbenden daardoor niet benadeeld kunnen worden geacht, om proceseconomische redenen van af het onderzoek naar aanleiding van de voormelde inlichtingen - hoewel volgens artikel 8:64 Algemene Pro wet bestuursrecht formeel op zijn plaats - te schorsen.
7. Slotsom
Het beroep is gegrond. De grieven van belanghebbenden behoeven geen behandeling.
8. Proceskosten
In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
9. Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de verweerder alsmede de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag;
- gelast de gemeente Culemborg aan belanghebbenden het door hen gestorte griffierecht van € 29,- te vergoeden.
Aldus gedaan te Arnhem op 19 november 2003 door mr. Röben, vice-president, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.
(W.J.N.M. Snoijink) (J.B.H. Röben)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 november 2003
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvan-gen van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.