ECLI:NL:GHARN:2004:AO6656

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03-00822
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening onroerende zaakbelastingen 2002 gemeente EdeArt. 139 GemeentewetArt. 220 GemeentewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over onroerendezaakbelasting en vertrouwensbeginsel

Belanghebbende is eigenaar van een woning en perceel die in 2001 werden gesloopt en waar nieuwbouw van twee woningen werd gestart. Voor het jaar 2001 was belanghebbende niet als gebruiker van het object aangemerkt, waardoor de aanslag onroerendezaakbelasting werd vernietigd. Voor 2002 werd belanghebbende aangeslagen voor het gebruik van de nieuwbouwobjecten.

Het hof oordeelt dat de aanslagen voor 2002 terecht zijn opgelegd, omdat belanghebbende op 1 januari 2002 de onroerende zaken gebruikte in de zin van de Gemeentewet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de feitelijke situatie op 1 januari 2001 wezenlijk afweek van die op 1 januari 2002, ondanks dat in bezwaar een zorgvuldige heroverweging van het besluit heeft plaatsgevonden.

Het hof verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling. De uitspraak is mondeling gedaan en kan binnen vier weken worden vervangen door een schriftelijke uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslagen onroerendezaakbelasting 2002 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
tiende enkelvoudige belastingkamer
nummer 03/00822 (OZB)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
Belanghebbende : X]
Te : [Z]
Verweerder : het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente Ede (hierna: de Ambtenaar)
Aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
Betreft : onroerendezaakbelastingen 2002
Aanslagnummer : [01]
Mondelinge behandeling : op 16 januari 2004 te Arnhem
Waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Ambtenaar]
gronden:
1. Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de onroerende zaak [a-weg 1 te Z].
2. Op 30 augustus 2000 heeft hij de woning met bijbehorende grond, plaatselijk bekend als [a-weg 2 te Z], gekocht. In de loop van 2001 heeft belanghebbende deze woning laten slopen. Op 26 juli 2001 is hem een bouwvergunning verleend voor de bouw van twee woningen op het perceel [a-weg 2]. In 2001 is een aanvang gemaakt met de (voorbereidingen voor de) bouw van deze woningen. Op 1 januari 2002 was de fundering gereed. De woningen, door de Ambtenaar aangeduid als [a-weg 2 (1) en 2 (2)] doch thans bekend als [a-weg 2 en 3], zijn door belanghebbende bestemd voor verkoop dan wel voor verhuur.
3. Belanghebbende is voor het jaar 2001 ter zake van het gebruik van het object [a-weg 2 te Z] door de Ambtenaar in de heffing van de onroerendezaakbelastingen betrokken. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de betreffende aanslag vernietigd omdat hij – na een ingesteld onderzoek – van oordeel was dat belanghebbende per peildatum 1 januari 2001 niet kon worden aangemerkt als gebruiker van het object.
4. Voor het onderhavige jaar (2002) is belanghebbende in het kader van de onroerendezaakbelastingen – onder meer – aangeslagen voor het gebruik van de objecten [a-weg nummers 2 en 3].
5. Partijen hebben ter zitting – desgevraagd – verklaard dat de onderwerpelijke beroepsprocedure betrekking heeft op de hiervóór in 4 bedoelde aanslagen. De bestreden uitspraak op bezwaar moet, zo betogen partijen, aldus worden gelezen dat de door belanghebbende tegen deze aanslagen gemaakte bezwaren door de Ambtenaar niet zijn gehonoreerd. Het Hof zal – om redenen van proceseconomie – partijen op dit punt volgen.
6. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de – overeenkomstig artikel 139 van Pro de Gemeentewet bekendgemaakte –Verordening onroerende zaakbelastingen 2002 van de gemeente Ede wordt onder de naam “onroerende zaakbelastingen” een gebruikersbelasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een (binnen de gemeente gelegen) onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.
7. Het standpunt van de Ambtenaar dat belanghebbende op 1 januari 2002 de onroerende zaken (grond) [a-weg 2 en 3] gebruikte in de zin van de hiervóór in 5 genoemde – op artikel 220, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet gebaseerde – bepaling is, gelet op de hiervóór in 2 vermelde feiten, juist. In zoverre zijn de onderhavige aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd.
8. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel geldt dat moet worden bezien of zich omstandigheden hebben voorgedaan die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de aanslagregeling voor het jaar 2001 (op het in geschil zijnde punt) berustte op een weloverwogen standpuntbepaling door de Ambtenaar.
9. Gelet op het karakter van de bezwaarprocedure – een belastingplichtige mag ervan uitgaan dat in bezwaar een zorgvuldige heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt en dat een herroeping van dat besluit weloverwogen geschiedt – moet die vraag naar het oordeel van het Hof bevestigend worden beantwoord.
10. Niettemin kan, nu de feitelijke situatie met betrekking tot de onderhavige objecten op 1 januari 2001 wezenlijk afweek van die op 1 januari 2002, belanghebbende voor wat betreft het jaar 2002 zich niet met vrucht beroepen op – kort gezegd – bedoelde bewuste standpuntbepaling. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
11. Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2004 te Arnhem door mr. R. den Ouden, raadsheer, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Sitsen als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(J.M. Sitsen) (R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 februari 2004
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.