ECLI:NL:GHARN:2004:AQ5238
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.M. de Kroon
- A.M. van Amsterdam
- Tj. Van Rij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering kwijtscheldingsfaciliteit successierecht bij tijdelijk vruchtgebruik aandelen
Belanghebbende verkreeg uit de nalatenschap van zijn vader het gezamenlijke en opvolgend vruchtgebruik van aandelen in een besloten vennootschap. Hij verzocht om toepassing van de kwijtscheldingsfaciliteit van artikel 26, lid 3, letter b, van de Invorderingswet, welke werd geweigerd door de Ontvanger. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof.
Het geschil betrof de vraag of het vruchtgebruik als een niet-tijdelijke gerechtigdheid tot voordelen uit aandelen kan worden aangemerkt, zodat de kwijtscheldingsfaciliteit van toepassing zou zijn. Belanghebbende stelde dat deze faciliteit in alle gevallen van voortzetting van de onderneming door de verkrijgers moet gelden, terwijl de Inspecteur stelde dat het vruchtgebruik een tijdelijke gerechtigdheid is en daarom niet kwalificeert.
Het Hof oordeelde dat het vruchtgebruik op grond van het testament en de wettelijke bepalingen als een tijdelijke gerechtigdheid moet worden beschouwd. Het onderscheid tussen tijdelijke en niet-tijdelijke gerechtigdheid is bewust door de wetgever gemaakt en geldt ook voor de Invorderingswet. Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de afwijzing van de kwijtscheldingsfaciliteit.
De uitspraak benadrukt dat de rechter gebonden is aan de wet zoals die luidde ten tijde van het belastbare feit en dat billijkheidsoverwegingen geen grond vormen om de wet buiten toepassing te laten. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond en de weigering van de kwijtscheldingsfaciliteit is bevestigd.