ECLI:NL:GHARN:2004:AQ5285
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.B.H. Röben
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondernemerschap en recht op zelfstandigenaftrek voor musicus met arbeidsovereenkomst
Belanghebbende, een musicus die voor 75% van zijn werktijd in dienst is bij een orkest, stelde dat hij als ondernemer moest worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting en aanspraak maakte op zelfstandigenaftrek. Hij verrichtte daarnaast werkzaamheden voor andere orkesten en gaf privélessen. Het hof stelde vast dat het aantal uren dat belanghebbende daadwerkelijk als ondernemer kon worden aangemerkt, onvoldoende was om te voldoen aan het urencriterium van artikel 3.6 Wet inkomstenbelasting 2001.
De arbeidsovereenkomst met het hoofdorkest, waarbij sprake was van een dienstbetrekking, stond niet in de weg aan deze conclusie. Ook de werkzaamheden bij andere orkesten werden als dienstbetrekking beoordeeld. Belanghebbende bracht geen argumenten aan die tot een ander oordeel leidden.
Verder voerde belanghebbende aan dat de Inspecteur in voorgaande jaren het ondernemerschap had geaccepteerd, waardoor er sprake zou zijn van in rechte te beschermen vertrouwen. Het hof oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat eerdere correspondentie van de Inspecteur juist het ondernemerschap had afgewezen.
Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; geen ondernemerschap en geen recht op zelfstandigenaftrek.