ECLI:NL:GHARN:2004:AR1937

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
10 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
21-004299-03
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van den Heuvel
  • Meijer
  • Winters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 430a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ongeschiktheid locatie voor naaktrecreatie

Verdachte werd beschuldigd van het zich ongekleed bevinden op het Almeerderzand, een locatie die niet door de gemeenteraad was aangewezen voor naaktrecreatie en die als een voor het openbaar verkeer bestemde plaats werd beschouwd. De kern van de zaak was of deze locatie ook ongeschikt was voor naaktrecreatie, wat bewezen moest worden om tot een veroordeling te komen.

De wetsgeschiedenis van artikel 430a Sr maakt duidelijk dat het enkel feit dat een aanpalend gebied wel is aangewezen voor naaktrecreatie onvoldoende is om te concluderen dat de betreffende locatie ongeschikt is. De bewijslast hiervoor ligt bij het openbaar ministerie, maar het hof vond het bewijs in dit dossier onvoldoende om te concluderen dat het Almeerderzand ongeschikt was.

Na beoordeling van de wetsgeschiedenis, parlementaire stukken en het bewijs sprak het hof verdachte vrij. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld, waarbij het hof tot de conclusie kwam dat het bewijs ontbrak om verdachte te veroordelen.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering omtrent de geschiktheid van locaties voor naaktrecreatie en bevestigt dat deze beoordeling aan de strafrechter toekomt, niet aan de gemeenteraad. Hierdoor blijft de strafbaarheid van naaktrecreatie op openbare plaatsen afhankelijk van een strikte bewijsstandaard.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de locatie ongeschikt was voor naaktrecreatie.

Uitspraak

Parketnummer: 21-004299-03
Uitspraak dd.: 10 september 2004
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te Arnhem
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Lelystad van 5 augustus 2003 in de strafzaak tegen
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is - nadat de zaak op 25 maart 2004 door de enkelvoudige strafkamer van dit hof is verwezen naar de meervoudige kamer voor strafzaken van dit hof - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 augustus 2004. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.
De telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd dat:
(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)
Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
In artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld "hij die zich buiten een door de gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is".
Verdachte heeft zich ongekleed bevonden op het Almeerderzand in de gemeente Almere. Het betreffende gedeelte van het Almeerderzand was niet door de gemeenteraad van Almere aangewezen als een voor ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats en kan worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer bestemde plaats.
Voor het oordeel dat verdachte de gehele delictsomschrijving heeft vervuld dient dan nog komen vast te staan, dat het betreffende gedeelte van het Almeerderzand "voor ongeklede recreatie niet geschikt" was. Verdachte heeft dit laatste gemotiveerd bestreden.
De huidige tekst van art. 430a Sr. is voor het eerst te vinden in de Tweede nota van wijzigingen bij het voorstel tot Wijziging van artikel 240 van Pro het Wetboek van Strafrecht en van enige andere bepalingen (TK 15836 nr. 11 d.d. 6 juli 1984). In de Nota naar aanleiding van het eindverslag (TK 15836 nr. 9 d.d. 6 juli 1984, p. 5) wordt hierover onder meer het volgende opgemerkt:
"Weliswaar zijn wij van oordeel dat de rechter de door deze leden bedoelde vorm van recreatie in de openbaarheid, gelet op de huidige in de maatschappij levende opvattingen, niet vaak of zelfs nooit als schennis van de eerbaarheid zal aanmerken, toch zijn wij wel gevoelig voor het argument dat, indien mogelijk, de wet in dezen uitsluitsel zou moeten geven"
en
"Slechts indien de aard van de plaats of de omstandigheden zo zijn, dat in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van geschiktheid, blijft het feit een zekere mate van strafwaardigheid behouden".
De laatste zinsnede wordt door het lid van de Tweede Kamer Van Dis (Handelingen II, 17 oktober 1984, p. 600) als "te vrijgevig" bestempeld.
Het lid van de Tweede Kamer Schutte wijst er op (Handelingen II, 17 oktober 1984, p. 588) dat zo twee soorten terreinen ontstaan: "de voor het nudisme door de gemeente aangewezen terreinen en een aantal gebieden, waar je het als nudist kunt proberen, waarbij het niet geheel zeker is of je ervoor gestraft kunt worden." Het Kamerlid Leerling acht "de rekbare formulering van artikel 430a () volstrekt ongewenst" (Handelingen II, 25 oktober 1984, p. 912) en betuigt zijn volledige instemming met het door Schutte ingediende amendement (TK 15836 nr. 25 d.d. 23 oktober 1984). Dit amendement strekt er toe dat de woorden "die voor ongeklede recreatie niet geschikt is" in de voorgestelde wettekst zouden vervallen.
Minister Korthals Altes is van mening "(dat) deze laatste omstandigheid () afhankelijk (is) van de situatie die de wetgever niet kan overzien. Beantwoording van deze vraag is dus aan de rechter. Indien de rechter oordeelt dat de plaats niet geschikt is, zal hij kunnen veroordelen wegens schending van artikel 430a ()" (Handelingen II, 18 oktober 1984, p. 719).
Het amendement van de heer Schutte is verworpen. Het oordeel dat een plaats niet geschikt is voor openbare ongeklede recreatie is daarmee aan het oordeel van de gemeenteraad onttrokken en aan de strafrechter toebedeeld. De bewijslast daarvan rust, gelet op de formulering van de bepaling, op het openbaar ministerie. Deze bewijslast is door de heer Schutte als "buitengewoon moeilijk" aangemerkt (Handelingen II, 25 oktober 1984, p. 927), maar de Minister "verwacht geen moeilijkheden om het bewijs te leveren" (idem).
Hoe dit zij, het hof is van oordeel dat het onderhavige dossier onvoldoende bewijs bevat dat het betreffende gedeelte van het Almeerderzand niet geschikt is voor openbare ongeklede recreatie. Het enkele gegeven dat een aanpalend gedeelte voor zodanige recreatie is aangewezen is, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, daartoe op zich onvoldoende.
Uit het vorenstaande volgt dat verdachte dient te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het telastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr Van den Heuvel, voorzitter,
mrs Meijer en Winters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr Mientjes, griffier,
en op 10 september 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.