ECLI:NL:GHARN:2004:AR5688
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T.J. Matthijssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mutatie-WOZ-beschikking zonder nieuw feit vereist
Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak waarop een verbouwing heeft plaatsgevonden die in 2002 gereed kwam. De waardering van de onroerende zaak moest achtereenvolgens worden vastgesteld op 1 januari 1999, 1 januari 2002 en 1 januari 2003, waarbij de Ambtenaar terecht drie verschillende WOZ-beschikkingen heeft afgegeven.
Het geschil betrof de vraag of voor het afgeven van de derde WOZ-beschikking, met een tijdvak van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004, een nieuw feit vereist is. Het hof oordeelde dat artikel 19, lid 2, van de Wet WOZ geen nieuw feit vereist voor een mutatiebeschikking en dat de Ambtenaar bevoegd was deze beschikking af te geven.
Belanghebbende stelde dat hij een rechtens beschermd vertrouwen had dat geen nieuwe waarde zou worden vastgesteld per 1 januari 2003, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Ook de reeds opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen per 28 februari 2003 op basis van de tweede beschikking bood geen grond voor dit vertrouwen.
Het hof bevestigde de bestreden uitspraak en oordeelde dat het beroep van belanghebbende ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De mondelinge uitspraak werd op 12 oktober 2004 gedaan en schriftelijke vervanging is mogelijk binnen vier weken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat bij het afgeven van een mutatie-WOZ-beschikking geen nieuw feit vereist is en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.