ECLI:NL:GHARN:2004:AR6782

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2003/827
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Hooft Graafland
  • Van Ginkel
  • Mens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:109 BWArt. 1:110 BWArt. 1:111 BWArt. 1:112 lid 2 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van huwelijksgoederengemeenschap met terugwerkende kracht wegens schulden en wanbeheer

Partijen zijn gehuwd sinds 1976 en de echtscheiding is uitgesproken op 21 augustus 2002, met inschrijving op 3 december 2002. De man verzocht op 17 april 2002 om opheffing van de huwelijksgoederengemeenschap met terugwerkende kracht tot 25 april 2002, omdat hij risico liep aangesproken te worden voor schulden die de vrouw tussen 25 april en 3 december 2002 maakte.

De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk, maar het hof oordeelde dat de man voldoende belang had bij het verzoek. De vrouw had volgens de man lichtvaardig schulden gemaakt, de gemeenschapsgelden verspild en weigerde informatie te geven over de stand van de goederen.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en besloot de gemeenschap op te heffen met ingang van 25 april 2002. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en publicatie van een uittreksel wordt bevolen.

Uitkomst: Het hof heft de huwelijksgoederengemeenschap op met terugwerkende kracht tot 25 april 2002 en vernietigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

13 april 2004
Familiekamer
Rekestnummer 827/2003
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, verder te noemen “de man”,
procureur mr F.J. Boom,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster, verder te noemen “de vrouw”.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 14 augustus 2003, uitgesproken onder zaaknummer 75161 FARK 02-1128.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2003, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen bestaand hebbende wettelijke gemeenschap van goederen op te heffen (per 25 april 2002) althans te bepalen dat die gemeenschap opgeheven is dan wel als opgeheven dient te worden beschouwd per 25 april 2002 met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.2 De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3 De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2004 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door mr A. Stoel, advocaat te Dronten. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 24 maart 2004 van de procureur van de man met als bijlagen verschillende producties betreffende de schulden van de vrouw.
3 De vaststaande feiten
Ten aanzien van partijen
3.1 Partijen zijn op 16 december 1976 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank te Zwolle van 21 augustus 2002 heeft de rechtbank te Zwolle echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 december 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Zwolle op 17 april 2002, heeft de man opheffing van de gemeenschap op grond van 1:109 BW verzocht. De inschrijving van het opheffingsverzoek in de zin van artikel 1:110 lid 1 BW Pro heeft plaatsgevonden op 17 april 2002 en de bekendmaking op 25 april 2002. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
4 De motivering van de beslissing
4.1 De man stelt dat hij ondanks de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap op 3 december 2002 (door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek tot opheffing van de gemeenschap aangezien een opheffingsverzoek op grond van artikel 1:111 juncto Pro 1:110 BW in dit geval terugwerkt tot 25 april 2002. Als de gemeenschap voortduurt tot 3 december 2002 bestaat voor de man het risico dat de vrouw in de periode van 25 april 2002 tot 3 december 2002 nieuwe schulden heeft doen ontstaan waarvoor de man kan worden aangesproken. Bovendien heeft de man in die periode betalingen aan schuldeisers verricht als aflossing op huwelijkse schulden. Voorts stelt de man dat de vrouw op lichtvaardige wijze schulden heeft gemaakt, de goederen der gemeenschap heeft verspild, handelingen heeft verricht die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de man over de goederen der gemeenschap en dat zij weigert althans nalaat aan de man de nodige inlichtingen te verschaffen omtrent de stand van de goederen der gemeenschap.
4.2 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft bij een beslissing op zijn verzoek tot opheffing van de gemeenschap. Het verzoek kan als op de wet gegrond en onweersproken worden toegewezen.
5 De slotsom
5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.
5.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zwolle van 14 augustus 2003 en opnieuw beschikkende:
heft op de gemeenschap tussen de man en de vrouw met ingang van 25 april 2002;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de man een uittreksel van deze beschikking zal publiceren overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:112 lid 2 Rv Pro, in de Staatscourant en in de Zwolse Courant;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs Hooft Graafland, Van Ginkel en Mens en is op 13 april 2004 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.