ECLI:NL:GHARN:2004:AR7242

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-01296
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8.9 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op verhoging gecombineerde heffingskorting bij nihil belastbaar inkomen partner

Belanghebbende was in 2001 gehuwd en onder curatele gesteld, waarbij haar curator namens haar een verzoek om voorlopige teruggaaf in verband met de algemene heffingskorting indiende. De Inspecteur verleende deze voorlopige teruggaaf, maar stelde het belastbaar inkomen van de partner na verliesverrekening op nihil vast en corrigeerde daarop de teruggaaf via een aanslag.

Belanghebbende voerde aan niet aansprakelijk te zijn voor belastingschulden uit de periode van curatele, maar het hof stelde vast dat de curator bevoegd was om haar te vertegenwoordigen en dat belanghebbende gebonden is aan de rechtshandelingen van de curator. Juridisch is bepaald dat een verhoging van de gecombineerde heffingskorting maximaal kan worden toegekend tot het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met diens heffingskorting.

Omdat het belastbaar inkomen van de partner nihil is, bestaat geen recht op een verhoging van de heffingskorting. De Inspecteur heeft de voorlopige teruggaaf dan ook terecht gecorrigeerd. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat zij geen recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting bij een nihil belastbaar inkomen van haar partner.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Tiende enkelvoudige belastingkamer
nr. 04/01296
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar : Inspecteur van de Belastingdienst/Oost/kantoor [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen
aanslagnummer : [01.H.16]
tijdvak : 2001
mondelinge behandeling : met schriftelijke toestemming van partijen niet gehouden
gronden:
1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar (2001) gehuwd. Zij en haar echtgenoot waren in dat jaar onder curatele gesteld. De curator heeft voor belanghebbende voor het jaar 2001 een verzoek ingediend om een voorlopige teruggaaf in verband met de algemene heffingskorting. Deze voorlopige teruggaaf – ten bedrage van € 1.576 – is door de Inspecteur aan belanghebbende verleend. Het belastbaar inkomen van belanghebbendes echtgenoot voor het jaar 2001 is, na verliesverrekening, door de Inspecteur vastgesteld op nihil. In verband hiermee heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderwerpelijke aanslag opgelegd, waarbij vorenbedoelde voorlopige teruggaaf is gecorrigeerd. Belanghebbende heeft in 2001 geen inkomsten genoten.
2. Belanghebbende stelt in beroep dat zij niet aansprakelijk is voor een belastingschuld uit een periode waarin zij onder curatele was gesteld.
3. In dit verband is van belang dat ingevolge artikel 43 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheden en de verplichtingen van – voor zover hier van belang – een onder curatele gestelde kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door de curator. Het verzoek om vorenbedoelde voorlopige teruggaaf is derhalve bevoegdelijk door de curator ingediend.
4. In een geval als het onderhavige, waarin de belastingplichtige zelf geen inkomsten geniet, kan de gecombineerde heffingskorting worden verhoogd. Artikel 8.9, tweede lid, Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt evenwel dat die verhoging maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting bedraagt. Nu het belastbaar inkomen van belanghebbendes partner nihil beloopt, heeft belanghebbende geen aanspraak op een verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De omstandigheid dat het belastbare inkomen van belanghebbendes echtgenoot als gevolg van verliesverrekening op nihil is vastgesteld, doet aan deze conclusie niet af (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 272, nr. 7, blz. 91). Dit betekent dat de Inspecteur terecht de voorlopige teruggaaf heeft gecorrigeerd.
5. Zoals gezegd heeft de curator belanghebbende rechtsgeldig vertegenwoordigd. Belanghebbende is gebonden aan de door haar vertegenwoordiger (bevoegdelijk) verrichtte rechtshandelingen, onverschillig of zij daarmee heeft ingestemd of dat zij van het handelen van de curator op de hoogte was.
6. Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht het Hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan op 18 november 2004 te Arnhem door mr. Den Ouden, raadsheer, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer.
De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Munniks als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van voormelde kamer,
(A.C. Munniks) (R. den Ouden)
Afschriften aangetekend per post verzonden op: 18 november 2004
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.