ECLI:NL:GHARN:2005:AT3039
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Smeeïng-Van Hees
- Van der Kwaak
- Korthals Altes
- Rechtspraak.nl
Derdenbeslag en onverschuldigde betaling door derde-beslagene aan beslaglegger
In deze zaak stond centraal of een derde-beslagene, hier de Bank, die conform artikel 476a Rv een verklaring heeft afgelegd en de aangegeven geldsommen aan de beslaglegger heeft betaald, deze bedragen terug kan vorderen op grond van onverschuldigde betaling als later blijkt dat zij niets aan de geëxecuteerde verschuldigd was.
Het hof bevestigde dat de rechtsverhouding tussen derde-beslagene en beslaglegger van procesrechtelijke aard is en dat de betaling krachtens de wet (artikelen 476a en 477 Rv) plaatsvindt. Hierdoor kan de derde-beslagene zich niet beroepen op onverschuldigde betaling jegens de beslaglegger, ook niet als het beslag geen doel heeft getroffen en hij niets aan de geëxecuteerde verschuldigd was.
Wel kan de derde-beslagene een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking instellen jegens de geëxecuteerde voor het teveel betaalde bedrag. Dit voorkomt rechtsonzekerheid voor beslagleggers en sluit aan bij het karakter van het executie- en beslagrecht.
De Bank kon ook geen onrechtmatig handelen van de beslaglegger aantonen. Alle grieven van de Bank werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. De Bank werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de Bank het betaalde bedrag niet van de beslaglegger kan terugvorderen.