ECLI:NL:GHARN:2005:AT7018
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep kort geding
- Hooft Graafland
- Mens
- Wesseling-Lubberink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kort geding over weigering DNA-onderzoek vaderschap
In deze kort geding procedure stond centraal of de vrouw onrechtmatig jegens de man handelde door niet mee te werken aan een door de man verzocht DNA-onderzoek om vast te stellen of hij de biologische vader van het kind [K.] is.
De man beriep zich op artikel 1:207 BW Pro, stellende dat dit artikel hem als vermeende verwekker ook een mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling geeft. Het hof verwierp deze stelling omdat volgens de wetsgeschiedenis alleen de moeder en het kind dit recht hebben, niet de vermeende verwekker.
Het hof oordeelde dat slechts in bijzondere omstandigheden de weigering van de vrouw om mee te werken aan het DNA-onderzoek onrechtmatig is. Gezien het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind en het ontbreken van een spoedeisend belang, achtte het hof de weigering niet onrechtmatig.
De man had in eerste aanleg een omgangsregeling verzocht, maar werd niet-ontvankelijk verklaard en trok zijn hoger beroep tegen die beschikking in. Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de man in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vrouw niet onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan het DNA-onderzoek en veroordeelt de man in de proceskosten.