ECLI:NL:GHARN:2005:AU2588

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
11 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-01916
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C.M. de Kroon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening Parkeerbelastingen 2003Art. 225 lid 1 GemeentewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende kenbare vergunningzone

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Zwolle omdat hij parkeerde buiten de vergunninghouderszone. De naheffingsaanslag bedroeg €0,80 aan belasting en €45 aan kosten.

Het geschil betrof de vraag of de parkeerzone voor vergunninghouders voldoende kenbaar was gemaakt. Het Gerechtshof oordeelde dat de gemeente Zwolle de zone duidelijk had aangegeven met verkeersborden volgens model E9 van het RVV 1990, voorzien van onderborden met pijlen die de zonegrenzen aangaven. Hoewel één bord mogelijk door een boom gedeeltelijk aan het zicht was onttrokken, waren de andere borden wel zichtbaar.

De rechtbank stelde dat een vergunninghouder zich moet vergewissen van de geldigheid van zijn vergunning op de parkeerplaats. Belanghebbende had dit onvoldoende gedaan en parkeerde daardoor buiten de vergunningzone. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de vergunninghouderszone voldoende duidelijk was aangegeven.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerste enkelvoudige belastingkamer
nr. 04/01916
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
verweerder : het sectiehoofd Publiekszaken van de gemeente Zwolle
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen naheffingsaanslag
soort belasting : parkeerbelasting
tijdstip : 8 juli 2004, 16.21 uur
onderzoek ter zitting : met schriftelijke toestemming van beide partijen achterwege gelaten
gronden:
1. Voor dit geding staat vast:
1.1 De naheffingsaanslag nr. 01 bedraagt € 0,80 aan belasting en € 45,– aan kosten.
1.2 Op het voormelde tijdstip stond de auto met kenteken AA-BB-01 geparkeerd op een parkeerplaats aan de a-straat te Zwolle die was aangewezen als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd.
1.3 Belanghebbende is houder van een vergunning voor zone 1, waaronder een parkeerstrook aan de waterkant van de a-straat valt.
2. In geschil is of voldoende duidelijk is aangegeven dat de plaats waar belanghebbende heeft geparkeerd buiten de voor vergunninghouders bestemde parkeerzone valt.
3.1. Vooropgesteld moet worden dat de parkeerbelasting die – op de voet van onderdeel b van zowel artikel 1 van Pro de Verordening Parkeerbelastingen 2003 als artikel 225, lid 1, van de Gemeentewet – is betaald voor een verleende parkeervergunning niet kan gelden als parkeerbelasting in de zin van onderdeel a van elk van beide wettelijke bepalingen (Hoge Raad 17 december 1997, nr. 32 834, BNB 1998/46* en Belastingblad 1998, blz. 239).
3.2. Met de overgelegde drie foto’s maakt de verweerder aannemelijk, dat de plaatsen waar het vergunninghoudersparkeren aan de waterkant van de a-straat begint en eindigt, voldoende duidelijk zijn aangegeven met borden volgens model E9 van bijlage I van het RVV 1990, elk voorzien van een onderbord met één horizontale pijl die aangeeft voor welke richting vanaf het punt waar het bord staat de aanduiding geldt. Op de middelste foto is nog zo’n bord te zien, waaronder een onderbord is aangebracht met twee horizontale uiteenwijzende pijlen. De derde foto toont een boom op ongeveer een halve autolengte vanaf de stoeprand waarlangs het bord met daaronder de naar links wijzende pijl is geplaatst.
3.3. Hoezeer ook aannemelijk is dat, zoals belanghebbende stelt, het laatstbedoelde bord aan het zicht onttrokken is geweest, wellicht mede doordat de boom op het voormelde tijdstip vol in bloei stond, de beide andere borden waren niet aan het oog onttrokken door bomen. Door die borden moest het belanghebbende, die in zijn bezwaarschrift vermeldt (onder punt 2): ‘Bij het oprijden van deze parkeerplaats staat duidelijk aangegeven (enz.)’, duidelijk zijn dat elders langs dezelfde waterkant de aanduiding zou staan die het einde van de door hem bedoelde strook markeert.
3.4. Van een parkerende automobilist, zeker een die houder is van een vergunning voor parkeren ter plaatse, mag worden verwacht dat hij zich ervan vergewist voor welke parkeerplaatsen die vergunning geldig is. Belanghebbende heeft dat klaarblijkelijk niet voldoende nauwgezet gedaan. Voor zijn risico moet dan ook blijven dat hij heeft geparkeerd op een plaats die niet meer door de vergunning bestreken werd. Nu hij belastingplichtig heeft geparkeerd zonder de daarvoor verschuldigde belasting te voldoen, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
slotsom:
Het beroep is ongegrond.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan te Arnhem op 11 augustus 2005 door mr. De Kroon, raadsheer, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier. Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink) (M.C.M. de Kroon)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 augustus 2005
Binnen zes weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders tegen deze mondelinge uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Kazernestraat 52).
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van dit proces-verbaal overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid alsnog gronden voor het beroep in cassatie aan te voeren.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.