ECLI:NL:GHARN:2005:AU2589

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
6 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/326
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van der Weij
  • Smeeïng-Van Hees
  • Hilverda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet 288
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen inzake schuldsaneringsregeling bij betwisting samenwoning en terugvordering bijstandsuitkering

Appellante heeft bij de rechtbank Zutphen verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen. Zij ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem. De kern van het geschil betreft een schuld aan de gemeente Winterswijk van ruim €19.000 wegens ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering in de periode van februari 2002 tot mei 2003. De gemeente had deze uitkering teruggevorderd omdat appellante naar haar mening samenwoonde met een partner met een hoger inkomen, waardoor zij geen recht op bijstand had.

Appellante stelde in het hoger beroep dat zij niet samenwoonde met betrokkene, haar voormalige echtgenoot, met wie zij na echtscheiding goede vrienden bleef en gezamenlijk zorg droeg voor hun kinderen. Het hof beoordeelde de kans van slagen van het hoger beroep dat appellante bij de Centrale Raad van Beroep had ingesteld tegen de terugvordering. Uit het dossier bleek dat betrokkene veelvuldig bij appellante verbleef en ook in onverwachte situaties beschikbaar was vanwege haar gezondheidsproblemen.

Het hof achtte de ontkenning van samenwoning door appellante ongeloofwaardig, mede omdat zij geen eigen adres van betrokkene kon noemen. Ook verklaringen van buurtbewoners konden dit niet overtuigend weerleggen. Het hof concludeerde dat appellante niet te goeder trouw was ten aanzien van de schuld. Bij gebrek aan bijzondere omstandigheden om het verzoek toch toe te wijzen, werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het hoger beroep verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Zutphen wordt bekrachtigd.

Uitspraak

6 juni 2005
eerste civiele kamer
rekestnummer 2005/326
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
procureur: mr. J.H. Schaap.
1 Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 22 maart 2005 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 29 maart 2005 per fax en op 1 april 2005 per gewone post ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van een faxbericht van de advocaat van [appellante] van 23 mei 2005 met bijlagen.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2005, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. B.A.M Oude Breuil, advocaat te Enschede.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 Van de totale schuldenlast van [appellante] van € 27.474,19 maakt deel uit een schuld aan de gemeente Winterswijk van € 19.056,22 wegens ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering. Deze schuld is ontstaan doordat [appellante] in de periode van 6 februari 2002 tot en met 31 mei 2003 € 17.541,15 teveel aan uitkering heeft ontvangen omdat zij in die periode zou hebben samengewoond met [betrokkene], die een inkomen uit arbeid genoot dat hoger was dan de voor [appellante] geldende bijstandsnorm, waardoor voor [appellante] geen recht op een uitkering bestond. Bij ongedateerd besluit verzonden op 7 juli 2003 heeft de gemeente de ten onrechte verstrekte uitkering teruggevorderd. Door [appellante] is tegen de ter zake van de invorderingsbeslissing gedane uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 30 maart 2005, inhoudende ongegrondverklaring van het beroep, hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
3.3 Het hof dient de kans van slagen van het door [appellante] bij de Centrale Raad van Beroep ingestelde hoger beroep te beoordelen. Uit het door [appellante] overgelegde beroepschrift blijkt dat [appellante] en [betrokkene] met elkaar gehuwd zijn geweest. Het huwelijk is op [datum] door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand ontbonden. Uit dat huwelijk is op [datum] [een zoon] geboren. Daarnaast heeft [appellante] nog de zorg over [zoon 1], geboren op [datum]. Blijkens dat verzoekschrift zijn [appellante] en [betrokkene], na hun echtscheiding, goede vrienden gebleven. In het belang van [hun zoon] gaan zij als ouders van [een kind] met elkaar om en niet als partners. [appellante] kan niet meedelen in welke frequentie [betrokkene] [zijn zoon] bezoekt. [appellante] is vanaf haar geboorte zwaar cara patiënt en het komt regelmatig voor dat zij klachten van een paniekstoornis krijgt, met als gevolg luchtwegproblemen. Het oudste kind [naam] wordt alsdan bij de ouders van [appellante] ondergebracht en [betrokkene], de vader van [de zoon], komt dan in huis om op te passen op [de zoon] en mede om [appellante] bij te staan. Voorts blijkt uit het overgelegde uittreksel van de basisadministratie van de gemeente Winterswijk dat uit [appellante] op [datum] [zoon 1] is geboren. [betrokkene] is de biologische vader van [zoon 1] en hij heeft [zoon 1] erkend. In het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep staat -blijkens het beroepschrift- centraal de vraag of [betrokkene] in de periode 6 februari 2002 tot en met 31 mei 2003 zijn hoofdverblijf in de woning van [appellante] had. [appellante] ontkent dat. Uit het beroepschrift valt af te leiden dat [betrokkene] veelvuldig bij [appellante] in huis was. Uit het feit dat paniekstoornissen als aanleiding daarvoor genoemd worden, leidt het hof bovendien af dat [betrokkene] -ook- in onverwachte situaties beschikbaar was. Dan is echter onbegrijpelijk dat [appellante] geen eigen adres van [betrokkene] kan of wil noemen. Een en ander maakt de ontkenning van [appellante] ongeloofwaardig. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 30 maart 2005. Hieraan doet naar het oordeel van het hof niet af de verklaring van [appellante] tijdens de mondelinge behandeling dat zij beschikt over verklaringen van buurtbewoners die verklaren dat [appellante] in de betreffende periode niet met [betrokkene] heeft samengewoond.
3.4 Uit het voorgaande volgt dat [appellante] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de gemeente Winterswijk.
3.6 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 22 maart 2005.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Weij, Smeeïng-Van Hees en Hilverda en in tegenwoordigheid van de griffier uitge¬sproken ter open¬bare terechtzitting van 6 juni 2005 en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.