ECLI:NL:GHARN:2005:AU3549
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van der Kwaak
- Smeeïng-Van Hees
- Van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslaglegging op perceel grond na geschil over eigendom en vaststellingsovereenkomst
In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de eigendom van een perceel grond en de rechtmatigheid van een conservatoir verhaalsbeslag. Appellant vordert opheffing van het beslag dat door geïntimeerde op het perceel is gelegd, stellende dat hij eigenaar is van het perceel en dat de vaststellingsovereenkomst waarop het beslag is gebaseerd niet tot stand is gekomen.
Het hof onderzoekt de feiten en stelt vast dat het perceel in 1998 zonder beperkingen inbreng heeft gevonden in de besloten vennootschap, zoals blijkt uit diverse notariële akten en correspondentie, waaronder een rectificatieakte uit 2001. De stellingen van appellant dat het perceel buiten de inbreng zou zijn gehouden, worden onvoldoende aannemelijk geacht.
Het hof oordeelt dat het perceel op het moment van beslaglegging eigendom was van de B.V. en dat appellant als privépersoon onvoldoende belang heeft bij opheffing van het beslag. De vorderingen van appellant worden daarom afgewezen. Tevens wordt appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het conservatoir beslag op het perceel blijft gehandhaafd.