ECLI:NL:GHARN:2005:AU7319

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
8 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04-02068
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 BWArt. 4:182 BWWet houdende intrekking van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeitWet op de motorrijtuigenbelasting 1994Art. 27 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar invaliditeitsvrijstelling motorrijtuigenbelasting wegens onjuiste adressering

De zaak betreft de intrekking van de invaliditeitsvrijstelling motorrijtuigenbelasting voor een auto na het overlijden van de oorspronkelijke vrijstellingsgerechtigde, A. De Inspecteur trok de vrijstelling in per 20 juli 2004 en richtte de beschikking en de daarop volgende uitspraak op bezwaar aan de zoon van A, die bezwaar maakte namens zichzelf en zijn moeder.

Volgens het wettelijke erfrecht en artikel 4:13 BW Pro is na overlijden van A de echtgenote houder van het motorrijtuig geworden. De uitspraak op bezwaar had dan ook aan de moeder gericht moeten worden. Het Gerechtshof oordeelt dat de uitspraak onjuist aan de zoon is gericht en vernietigt deze uitspraak op bezwaar.

Het hof wijst de zaak terug naar de Inspecteur om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar, nu gericht aan de juiste houder. Tevens veroordeelt het hof de Inspecteur in de proceskosten van € 27,50 en bepaalt dat de Staat deze kosten moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans namens de achtste enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem op 8 november 2005.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd wegens onjuiste adressering; de zaak wordt terugverwezen naar de Inspecteur.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
achtste enkelvoudige belastingkamer
nummer 04/02068
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie/Autoheffingen
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : beschikking invaliditeitsvrijstelling motorrijtuigenbelasting
nummer : 0000/AA-BB-00
mondelinge behandeling : op 25 oktober 2005 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede de Inspecteur
gronden:
1. Wijlen A te Q genoot tijdens zijn leven de zogenoemde invaliditeitsvrijstelling als bedoeld in artikel I, leden 2 tot en met 4, van de Wet houdende intrekking van de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wegens invaliditeit (Wet van 23 februari 1983, Stb. 1983, 94, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 22 december 1999, Stb. 1999, 579), voor het motorrijtuig met het kenteken AA-BB-00 (hierna: de auto).
2. Nu het vierde lid van de in 1 genoemde wettelijke bepaling de vrijstelling aanmerkt als een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting die wordt geheven op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 heeft de Inspecteur, met overeenkomstige toepassing van artikel 27, zesde lid, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994, na het overlijden op 1 juni 2004 van A voornoemd, de vrijstelling bij voor bezwaar vatbare beschikking met ingang van 20 juli 2004 ingetrokken. De beschikking is gedagtekend 29 oktober 2004 en gericht “Aan de Erven van Dhr. A, b-straat 1 te Q”. Op dit adres is woonachtig de weduwe van A.
3. Belanghebbende heeft, mede namens zijn moeder, bezwaar aangetekend tegen de beschikking. Hij heeft niet zozeer bezwaar tegen de inhoud van de beschikking. Zijn vader is immers overleden zodat de grond voor het verlenen van de invaliditeitsvrijstelling is komen te vervallen. Met de auto is na het overlijden, behoudens het overbrengen van de auto van Q naar zijn, belanghebbendes, woonadres in R, niet gereden. Het bezwaar betreft eerder de rekening voor de motorrijtuigenbelasting die vanaf 20 juli 2004 moet worden betaald. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij die rekening, ondanks zijn bezwaren, wel heeft voldaan doch dat hij tegen de voldoening op aangifte geen officieel bezwaarschrift heeft ingediend. De Inspecteur heeft bij de thans bestreden uitspraak die is gericht aan belanghebbende, het tegen de beschikking ingediende bezwaar afgewezen.
4. Op grond van artikel 4:182 BW Pro volgen, met het overlijden van de erflater, zijn erfgenamen van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap, met dien verstande dat die regel niet geldt wanneer de nalatenschap ingevolge artikel 4:13 BW Pro wordt verdeeld. In dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater.
5. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de nalatenschap van zijn vader is vererfd op de wijze als bedoeld in artikel 4:13 BW Pro. Op grond daarvan moet de moeder van belanghebbende, voor de toepassing van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, worden aangemerkt als de houder van het in 1 bedoelde motorrijtuig. Dit heeft tot gevolg dat de beschikking en de uitspraak op het daartegen gerichte bezwaarschrift, tot de moeder van belanghebbende hadden moeten worden gericht.
6. Nu de uitspraak op het bezwaar is gericht tot belanghebbende is het Hof, gelet op de woonplaats van belanghebbende, bevoegd daarvan kennis te nemen. Gelet op hetgeen in 4 en 5 is overwogen is de uitspraak ten onrechte tot belanghebbende gericht. In zoverre is het beroep gegrond. De Inspecteur zal opnieuw uitspraak op het bezwaarschrift moeten doen.
Proceskosten:
Nu een opgave daarvan door belanghebbende achterwege is gebleven berekent het Hof zijn proceskosten, in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht, in goede justitie op € 27,50 voor reis- en verblijfkosten.
Beslissing:
Het Gerechtshof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
- wijst de zaak terug naar de Inspecteur en verstaat dat de Inspecteur op het bezwaarschrift opnieuw zal beslissen;
- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 37, en
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 27,50 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Aldus gedaan op 8 november 2005 door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(C.E. te Brake) (J.P.M. Kooijmans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 november 2005
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.