ECLI:NL:GHARN:2005:AU7323

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
10 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02-01358
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet verontreiniging oppervlaktewaterenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt rechtmatigheid tariefverhoging verontreinigingsheffing 2002 door waterschap

Belanghebbende werd voor het jaar 2002 aangeslagen voor verontreinigingsheffing en ingezetenenomslag door het waterschap Regge en Dinkel. Het geschil betrof de rechtmatigheid van de tariefverhoging van de verontreinigingsheffing, die was verhoogd met 7,35% vanwege kosten verbonden aan milieueisen en een schadeclaim van een voormalig slibverwerkingsbedrijf.

Het hof stelde vast dat de kosten van de schadeclaim kwalificeren als kosten voor het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren volgens artikel 18 van Pro de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet Wvo). De ambtenaar had met begrotingsstukken en aanvullende toelichting aannemelijk gemaakt dat de geraamde kosten niet hoger waren dan de geraamde baten van de heffing.

Belanghebbendes bezwaar dat een bedrag van €453.000 aan proceskosten onredelijk was, werd verworpen omdat dit bedrag een restant was van een eerder gevormde reserve uit 2001 en geen kostenpost voor 2002 vormde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag verontreinigingsheffing 2002 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
tweede meervoudige belastingkamer
nummer 02/01358/verontreinigingsheffing
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
Belanghebbende : X
Te : Z
Verweerder : De ambtenaar belast met de heffing van de waterschapsbelasting van het Waterschap Regge en Dinkel (hierna: de Ambtenaar)
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
Betreft : aanslag verontreinigingsheffing 2002
Nummer : 2002.001
mondelinge behandeling : op 27 oktober 2005 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar
Gronden:
1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2002 - voor het object a-straat 1 te Q - op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de verontreinigingsheffing en in de ingezetenenomslag van genoemd waterschap opgelegd tot een bedrag van respectievelijk € 126,27 (3 vervuilingeenheden à € 42,09) en € 22,00.
2. Vanwege de kosten van door hogere overheden gestelde milieueisen en de kosten van een schadeclaim, verschuldigd aan het voormalig slibverwerkingsbedrijf A, heeft het waterschap het tarief van de verontreinigingsheffing voor het jaar 2002 - ten opzichte van het tarief voor het jaar 2001 - verhoogd met 7,35 percent en vastgesteld op € 42,09 per vervuilingeenheid.
3. In geschil is of de Ambtenaar terecht de onderhavige aanslag verontreinigingsheffing aan belanghebbende heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het tarief verontreinigingsheffing - zoals vastgesteld voor het jaar 2002 - rechtsgeldig is, in die zin dat de geraamde baten van de verontreinigingsheffing de voor het jaar 2002 geraamde kosten als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wet Wvo) niet te boven gaan.
4. Vooropgesteld zij dat de kosten in verband met de onder 2 genoemde schadeclaim kunnen worden aangemerkt als kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren in de zin van artikel 18 van Pro de Wet Wvo nu deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten die samenhangen met het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren. In de begroting opgenomen voorzieningen, die geheel of gedeeltelijk ten behoeve van het waterkwaliteitsbeheer gevormd zijn, behoren ook tot de begrote kosten (vgl. Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 3).
5. De Ambtenaar heeft met de door hem overgelegde stukken, te weten de nota betreffende de financiële toestand van het waterschap voor het jaar 2002, de ontwerp-begroting 2002, de begroting voor het jaar 2002 en de Beleidsbegroting 2002 en hetgeen hij daar ter zitting nog aan heeft toegevoegd aannemelijk gemaakt dat de voor het jaar 2002 geraamde kosten als bedoeld in artikel 18 van Pro de Wet Wvo de geraamde baten van de verontreinigingsheffing niet te boven gaan.
6. Belanghebbendes stelling dat het onredelijk is een bedrag van € 453.000 aan proceskosten te begroten kan hier niet aan afdoen nu door de Ambtenaar ter zitting is verklaard – en door belanghebbende niet is weersproken – dat er in het jaar 2001 een bedrag voor juridische kosten is gereserveerd – en dus ten laste van de belastingopbrengsten van het jaar 2001 is gekomen – en dat het door belanghebbende genoemde bedrag een restant is van die reserve dat reeds vóór 2002 in de reserve was opgenomen. Het bedrag van € 453.000 is, mede gezien het feit dat de stand van de bedoelde reserve in 2002 geen wijziging heeft ondergaan, derhalve geen (begrote) kostenpost voor het jaar 2002. Belanghebbendes stelling mist in dit verband feitelijke grondslag.
7. Het beroep is ongegrond.
Proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing:
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan op 10 november 2005 door prof. mr. dr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. T.J. Matthijssen en mr.drs. W.A.P. Nieuwenhuizen, raadsheren.
De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(S.R.M. Dekker) (J.A. Monsma)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 november 2005
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.