ECLI:NL:GHARN:2005:AV0986
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Vegter
- Dik
- Coumans
- Rechtspraak.nl
Deelwijziging vervroegde invrijheidstelling wegens ernstig wangedrag tijdens detentie
De veroordeelde werd op 3 februari 2004 aangehouden wegens overtreding van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet en op 21 oktober 2004 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden.
De officier van justitie diende op 12 januari 2005 een vordering in om de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege te laten vanwege ernstig wangedrag tijdens de uitvoering van een eerdere straf. Het hof constateert dat deze vordering niet onverwijld is ingediend zoals vereist in artikel 15a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, maar houdt hier rekening mee bij de beslissing.
Na het horen van partijen op 30 maart 2005 concludeerde de advocaat-generaal dat de vordering deels moet worden toegewezen. Het hof oordeelt dat het wangedrag voldoet aan de criteria van artikel 15a, eerste lid, sub b, Wetboek van Strafrecht en dat de aard van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt dat de vervroegde invrijheidstelling gedeeltelijk wordt achterwege gelaten.
Het hof weegt daarbij ook de duur van de opgelegde straf, de gevolgen voor de voorbereidingen van de veroordeelde op terugkeer in de samenleving en overige persoonlijke omstandigheden mee. Uiteindelijk bepaalt het hof dat de vervroegde invrijheidstelling voor vijf maanden wordt uitgesteld.
Uitkomst: De vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde wordt voor vijf maanden achterwege gelaten.