ECLI:NL:GHARN:2005:AV1000

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
23 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
VI 12-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a SrArt. 15b SrArt. 15c SrArt. 27 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof Arnhem wijst gedeeltelijk vordering tot achterwege laten vervroegde invrijheidstelling toe wegens ernstige misdraging

Veroordeelde werd op 18 augustus 2005 aangehouden wegens een poging tot tasdiefstal met geweld. Hij bekende het feit tegenover de politie. Het hof behandelde de vordering van de officier van justitie tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling die was toegekend bij een eerdere straf van twee jaar gevangenisstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk.

Het hof overwoog dat de misdragingen van veroordeelde tijdens het penitentiair programma ernstig waren en dat dit een geldige grond vormde om de vervroegde invrijheidstelling geheel achterwege te laten. De raadsman verzocht om aanhouding van de zaak in verband met een lopend psychiatrisch onderzoek en een vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de straf.

Het hof achtte het echter onwaarschijnlijk dat veroordeelde volledig ontoerekeningsvatbaar zou worden verklaard en wees het verzoek tot aanhouding af. Wel matigde het hof de duur van het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling tot vier maanden, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde en het lopende strafproces.

De beslissing werd genomen op 23 november 2005 door het Gerechtshof Arnhem, waarbij mr M.M. van Ditzhuijzen de beslissing niet medeondertekende wegens afwezigheid.

Uitkomst: De vervroegde invrijheidstelling wordt voor vier maanden achterwege gelaten wegens ernstige misdragingen tijdens detentie.

Uitspraak

VI-nummer: 12-05
Uitspraak: 23 november 2005
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van Pro de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 21 september 2005 ingekomen vordering van de officier van justitie te Rotterdam van 19 september 2005, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 9 november 2005 gehoord de raadsman van veroordeelde, mr P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling toe te wijzen. Veroordeelde heeft afstand gedaan van zijn recht ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Overwegingen
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 1 april 2005 van de rechtbank te Rotterdam opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren (drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk), met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Veroordeelde is op 18 augustus 2005 aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld. Hij zou op 18 augustus 2005 met gebruik van geweld hebben geprobeerd de tas van een vrouw weg te nemen. Tegenover de politie heeft veroordeelde bekend dit strafbare feit te hebben gepleegd.
Het hof is van oordeel dat voornoemd feit, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, een zeer ernstige misdraging vormt in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman heeft in raadkamer verzocht om aanhouding van de zaak. In de lopende strafzaak is gelast dat veroordeelde psychiatrisch onderzocht dient te worden. Het is volgens hem de vraag of veroordeelde geheel verantwoordelijk kan worden gesteld voor het nieuwe strafbare feit. Daarnaast is in deze strafzaak een vordering gedaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf, welke op 1 april 2005 door de rechtbank Rotterdam is opgelegd. De raadsman heeft verzocht om aanhouding, teneinde de uitkomst van het psychiatrisch onderzoek en de vordering tot tenuitvoerlegging af te wachten.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2005 volgt dat betrokkene onderzocht is door psychiater Blansjaar en psycholoog Van der Weele. De psychiater en psycholoog concluderen tot een lichte mate van vermindering van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Dat veroordeelde thans in de lopende strafzaak volledig ontoerekeningsvatbaar zal worden verklaard, acht het hof hoogst onwaarschijnlijk. Mede gelet op het feit dat veroordeelde het feit tegenover de politie bekend heeft, wordt het verzoek tot aanhouding afgewezen. Wel ziet het hof in de omstandigheid dat thans de uitkomst van de strafzaak en de daarbij gedane vordering tot tenuitvoerlegging nog niet bekend is, aanleiding om tot matiging van de duur van het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling over te gaan.
Het hof zal de vordering van de officier van justitie deels toewijzen, als na te melden.
Bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling heeft het hof tevens de omstandigheid in aanmerking genomen dat veroordeelde zich vrij kort na de aanvang van de tenuitvoerlegging tijdens het penitentiair programma ernstig heeft misdragen.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie te Rotterdam en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde achterwege zal worden gelaten voor een deel van vier (4) maanden.
Aldus gewezen door:
mr P.C. Vegter, voorzitter
mrs J.W.P. Verheugt en M.M. van Ditzhuijzen, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier
en op 23 november 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr M.M. van Ditzhuijzen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.