ECLI:NL:GHARN:2006:AV2102
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Smeeïng-van Hees
- Van der Kwaak
- Van den Brink
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk medeschuldenaren aansprakelijk voor restantschuld na faillissement BCS Constructions
De zaak betreft een geschil tussen de Bank en twee appellanten die zich hoofdelijk medeschuldenaar hadden gesteld voor de kredietverstrekking aan BCS Constructions B.V. Na het faillissement van BCS Constructions B.V. heeft de Bank de verpande vorderingen geïncasseerd en appellanten aangesproken voor de restantschuld.
Appellanten stelden dat de Bank onzorgvuldig had gehandeld bij de incasso en uitwinning van zekerheden, wat schade zou hebben veroorzaakt. Het hof oordeelde dat de Bank haar beoordelingsvrijheid niet onzorgvuldig had benut en dat appellanten onvoldoende feitelijke onderbouwing boden voor hun klachten.
In het incidenteel appel betwistte de Bank de hoogte van de restantschuld en de rechtbanksbeslissingen omtrent proceskosten. Het hof vernietigde delen van de vonnissen en veroordeelde appellanten hoofdelijk tot betaling van een bedrag van €152.335,26, vermeerderd met contractuele rente, met compensatie van de proceskosten in eerste aanleg.
Het hof veroordeelde appellanten tevens in de kosten van het incidenteel hoger beroep en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Appellanten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €152.335,26 met rente en in proceskosten, hun beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.