ECLI:NL:GHARN:2006:AW3519
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- P.C. Vegter
- J.W.P. Verheugt
- H.G.W. Stikkelbroeck
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schadevergoeding na toewijzing vordering vervroegde invrijheidstelling
Verzoeker diende een verzoekschrift in bij het Gerechtshof Arnhem tot toekenning van een schadevergoeding wegens vrijheidsbeneming die hij had ondergaan na een beslissing van het hof om de vervroegde invrijheidstelling achterwege te laten. Deze beslissing was genomen naar aanleiding van een eerdere veroordeling voor medeplegen van opzetheling.
Echter werd verzoeker in hoger beroep vrijgesproken van het nieuwe strafbare feit waarvoor hij was veroordeeld. Verzoeker stelde daarom dat de grond voor het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling was komen te vervallen en dat hij recht had op schadevergoeding.
Het hof oordeelde dat artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht alleen voorziet in een schadevergoeding indien het hof de vordering tot het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk afwijst. Omdat het hof de vordering juist had toegewezen, was niet voldaan aan deze voorwaarde.
Daarom verklaarde het hof verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schadevergoeding. De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, en het hof volgde dit advies.
Deze uitspraak verduidelijkt de beperkte reikwijdte van artikel 15d Sr met betrekking tot schadevergoeding na vrijheidsbeneming in het kader van vervroegde invrijheidstelling.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding na toewijzing van de vordering tot het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling.