ECLI:NL:GHARN:2006:AW7403
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.M. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Vermindering waterschapsomslag voor gepachte dijkpercelen wegens ontbreken belang waterbeheer
Belanghebbende is pachter van diverse dijkpercelen die eigendom zijn van het waterschap Zuiderzeeland. Hij maakte bezwaar tegen de aanslagen waterschapsomslag voor de jaren 2000 en 2001, stellende dat deze onterecht waren opgelegd. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de aanslagen terecht waren, mede gelet op het feit dat hem in 1999 door vertegenwoordigers van het waterschap was toegezegd dat hij voor de gepachte dijkpercelen geen waterschapslasten hoefde te betalen.
Het hof overwoog dat de dijkpercelen deel uitmaken van de primaire waterkering, maar dat deze percelen zelf geen direct belang hebben bij de waterbeheersing in het binnendijkse gebied. De verweerder kon niet aannemelijk maken dat de percelen vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een samenhang vertonen met het poldergebied. Ook het argument dat de percelen alleen via de achterliggende polder bereikbaar zouden zijn, werd niet voldoende onderbouwd.
Daarmee werd geconcludeerd dat de dijkpercelen geen belang hebben bij de waterbeheersingstaak van het waterschap, zodat de waterschapsomslag niet op deze percelen geheven kan worden. De aanslagen werden dienovereenkomstig verminderd. Tevens werd belanghebbende in de proceskosten en griffierecht tegemoetgekomen.
Uitkomst: De aanslagen waterschapsomslag voor 2000 en 2001 worden verminderd vanwege het ontbreken van belang bij de waterbeheersing voor de gepachte dijkpercelen.