ECLI:NL:GHARN:2006:AY4926

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
22 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2006/320
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Korthals Altes
  • Smeeïng-Van Hees
  • Van der Weij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn

Appellanten, gehuwd in gemeenschap van goederen, hadden een aanzienlijke schuld van €27.509,79, waarvan het merendeel bestond uit een schuld aan de zuster van appellant sub 1. Deze schuld was voortgekomen uit een vonnis dat in kracht van gewijsde was gegaan.

De rechtbank had het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat appellanten niet te goeder trouw waren. Het hof bevestigde dit oordeel en wees op het feit dat appellanten een betalingsregeling hadden getroffen, maar deze niet waren nagekomen. Ondanks financiële ruimte, onder andere door vakanties en de verkoop van een auto, werd de schuld nauwelijks verminderd.

Het hof oordeelde dat appellanten hun eigen belang boven dat van de schuldeiser hadden gesteld en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om het verzoek alsnog toe te wijzen. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af wegens niet te goeder trouw zijn.

Uitspraak

22 mei 2006
eerste civiele kamer
rekestnummer 2006/320
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant sub 1],
en
[appellante sub 2],
echtelieden,
wonende te [woonplaats],
appellanten,
procureur: mr. C.G.J.M. Lucassen.
1 Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 5 september 2005 is de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]). Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. J.A. Verspui en tot bewindvoerder J.A.H. Hoogveld.
1.2 Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 30 maart 2006 zijn de verzoeken van [appellanten] tot definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 7 april 2006 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van een brief van de bewindvoerder Hoogveld voornoemd van 12 april 2006 en twee brieven (met bijlagen) van de procureur van 9 mei 2006.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006, waarbij [appellanten] zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun procureur. De bewindvoerder in de voorlopige schuldsaneringsregeling is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 [appellanten] – in gemeenschap van goederen gehuwd – hebben een totale schuldenlast van € 27.509,79. Deze schuldenlast bestaat voor het overgrote deel uit een schuld aan de zuster van [appellant sub 1], [X.], van € 26.646,73.
3.3 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 mei 2003 is [appellant sub 1], naar aanleiding van de vordering van zijn zuster tot verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 26.941,31. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
3.4 Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [appellanten] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het onbetaald laten van de schuld aan de zuster van [appellant sub 1]. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Uit de zogenaamde verklaring schuldsaneringsregeling is gebleken dat [appellanten] een betalingsregeling met de (deurwaarder van de) zuster van [appellant sub 1] hebben getroffen om de betalingsverplichting voortvloeiende uit de onder 3.3 genoemde veroordeling te kunnen nakomen. Deze regeling houdt in dat [appellanten] maandelijks € 60,- aan de zuster van [appellant sub 1] betalen en eenmaal jaarlijks hun vakantiegeld. Aangezien de schuld aan de zuster van [appellant sub 1] sinds 28 mei 2003 slechts is verminderd met een bedrag van € 294,58, zijn [appellanten] de betalingsregeling niet nagekomen. Het hof acht dit verwijtbaar. Het had vanaf 28 mei 2003 op de weg van [appellanten] gelegen bij hun maandelijkse uitgavenpatroon rekening te houden met voornoemde betalingsregeling. De gezondheidssituatie van [appellant sub 1] doet daaraan niet af. Gebleken is dat [appellanten] in 2003 en 2004 in staat waren voornoemde betalingsregeling na te komen. Zij hadden immers, naast het voldoen van hun vaste maandelijkse lasten, financiële ruimte om van hun inkomen in 2003 (2 keer) en in 2004 (1 keer) op vakantie naar het buitenland te gaan, waarvoor zij in totaal een bedrag van, omgerekend in guldens, ƒ 9.788,60 hebben betaald. En voorts hebben [appellanten] in juni 2003 – zo verklaarden zij immers ter zitting van het hof – hun auto verkocht, waarbij zij een bedrag van € 5.000,- hebben ontvangen. Door deze financiële ruimte niet te benutten om voornoemde betalingsregeling na te komen, tonen [appellanten] aan dat zij hun eigen belang boven dat van de zuster van [appellant sub 1] hebben gesteld. Het hof acht dat verwijtbaar. Dat [appellanten] bezwaren hebben tegen het vonnis van 28 mei 2003, doet aan het oordeel van het hof niet af. Dat vonnis heeft immers gezag van gewijsde.
3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 30 maart 2006.
Dit arrest is gewezen door mrs. Korthals Altes, Smeeïng-Van Hees en Van der Weij en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2006.