ECLI:NL:GHARN:2006:AY5575
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- B.M. Mens
- Knottnerus
- Ter Veer
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap ondanks eerdere erkenning en discriminatie Nederlanderschap
De zaak betreft een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een kind dat reeds door de man is erkend. De rechtbank wees het verzoek af op grond van artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro, dat gerechtelijke vaststelling uitsluit bij erkenning. Het hof oordeelt echter dat deze bepaling niet in de weg staat aan gerechtelijke vaststelling, omdat het doel is om te voorkomen dat een kind meer dan twee juridische ouders krijgt, wat hier niet aan de orde is.
Het hof stelt vast dat de erkenning onvoldoende is om het vaderschap definitief vast te stellen, mede omdat het kind pas na erkenning de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen. De Rijkswet op Nederlanderschap maakt onderscheid tussen erkenning vóór en na geboorte, wat het hof discriminerend acht en in strijd met internationale verdragen zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Het hof benoemt een deskundige om een onderzoek in te stellen naar het biologische vaderschap, onder leiding van een raadsheer-commissaris. De procedure wordt aangehouden totdat het deskundigenrapport is ontvangen. De kosten van het onderzoek worden voorlopig ten laste van de staat gebracht. Hiermee wordt de juridische positie van het kind versterkt en wordt voorkomen dat het risico op uitzetting wegens het ontbreken van Nederlanderschap blijft bestaan.
Uitkomst: Het hof gelast een deskundigenonderzoek naar het biologische vaderschap en wijst gerechtelijke vaststelling niet uitdrukkelijk toe, maar acht erkenning onvoldoende en wijst discriminatie in de Rijkswet op Nederlanderschap af.