ECLI:NL:GHARN:2006:AY5855

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
2 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-003506-05
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Houten
  • Mannoury
  • Röben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken van onpartijdigheid rechter

Op 12 mei 2006 heeft verzoeker mondeling een wrakingsverzoek ingediend tegen een lid van de enkelvoudige strafkamer van het Gerechtshof Arnhem tijdens het uitspreken van het arrest. Hoewel verzoeker niet bij de terechtzitting van 26 juli 2006 aanwezig was, is het verzoek behandeld met aanwezigheid van de advocaat-generaal.

Het hof oordeelt dat het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, ondanks dat verzoeker stelde dat het verzoek eerder was ingediend. De kern van het verzoek is dat er geen onpartijdige rechtspraak zou hebben plaatsgevonden omdat het openbaar ministerie ontvankelijk werd verklaard, terwijl volgens verzoeker het vertrouwensbeginsel en het ne bis in idem-beginsel waren geschonden.

Bij de beoordeling hanteert het hof de standaard dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren of een objectief gerechtvaardigde vrees bestaan. Het hof stelt vast dat het enkel feit dat de uitspraak verzoeker onwelgevallig is, geen reden is voor wraking. Er is geen bewijs van vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees. Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor onpartijdigheid van de rechter.

Uitspraak

W2006/009
Parketnummer: 21-003506-05
Uitspraak d.d.: 2 augustus 2006
GERECHTSHOF TE ARNHEM
Wrakingskamer
Beslissing
op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering van
[VERZOEKER],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats en adres].
De procedure
Op 12 mei 2006 heeft verzoeker mondeling de wraking verzocht van [raadsheer], lid van de enkelvoudige strafkamer van dit gerechtshof.
Genoemd lid heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Hij wenste geen gebruik te maken van de gelegenheid te worden gehoord.
Het verzoek tot wraking is behandeld ter terechtzitting van 26 juli 2006, waar is gehoord de advocaat-generaal bij dit hof. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
Ontvankelijkheid
Het hof neemt voor de bepaling van het tijdstip waarop het verzoek tot wraking is gedaan als uitgangspunt het proces-verbaal van de zitting van 12 mei 2006. Hieruit blijkt dat, anders dan verzoeker heeft gesteld in zijn toelichting op het wrakingsverzoek van 16 mei 2006, verzoeker het verzoek tot wraking heeft gedaan tijdens het uitspreken van het arrest door het lid van de enkelvoudige strafkamer. Dat vindt ook bevestiging in het feit dat verzoeker erover klaagt dat de rechter de officier van justitie niet niet-ontvankelijk heeft verklaard, een klacht die niet te rijmen is met verzoekers stelling dat zijn verzoek niet tijdens, maar reeds voor de uitspraak zou hebben gedaan.
Nu de wet niet uitsluit dat ook in dit stadium van het geding een wrakingsverzoek kan worden gedaan, is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat het verzoek tijdig is gedaan. Ook overigens zijn er geen gronden het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.
De gronden van het verzoek tot wraking
Het onderhavige verzoek tot wraking berust, kort gezegd, op de stelling, dat er in het aan de orde zijnde geval geen onpartijdige rechtspraak heeft plaatsgehad, nu het openbaar ministerie is ontvangen in de strafvervolging, dit terwijl zowel het vertrouwensbeginsel als het beginsel ‘ne bis in idem’ was geschonden.
De beoordeling van het verzoek tot wraking
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Blijkens de schriftelijke toelichting van verzoeker op het wrakingsverzoek, gedateerd 16 mei 2006, maakt verzoeker bezwaar tegen de inhoud van de door het lid van de enkelvoudige kamer gedane uitspraak. Verzoeker is van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in zijn vervolging en is van mening dat de vervolging niet had dienen te leiden tot een veroordeling, zoals het gerechtshof heeft uitgesproken.
Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat voornoemde uitspraak verzoeker onwelgevallig is, op zichzelf niet een zwaarwegende aanwijzing oplevert als hiervoor bedoeld. Ook is niet gebleken van enige objectief gerechtvaardigde vrees bij de verzoeker dat de betreffende raadsheer vooringenomen is. Van een schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter is dus geen sprake.
Het verzoek tot wraking dient derhalve te worden afgewezen.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst af het verzoek tot wraking van [raadsheer].
Aldus gedaan door
mr Van Houten, voorzitter,
mrs Mannoury en Röben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr Van Onna, griffier,
en op 2 augustus 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.