ECLI:NL:GHARN:2006:AY7665

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
30 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
ISD 2006\005
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Abbink
  • Vegter
  • Van der Herberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting maatregel plaatsing inrichting stelselmatige daders noodzakelijk

De rechtbank Utrecht had op 3 mei 2006 besloten de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) te beëindigen per 8 mei 2006. Het openbaar ministerie stelde hiertegen beroep in bij het gerechtshof Arnhem.

Het hof beoordeelde of opheffing van de maatregel zou leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publiek domein. Tevens werd onderzocht of voortzetting van de maatregel niet zinvol was door omstandigheden buiten de macht van betrokkene.

Uit het dossier en de verklaringen van getuige-deskundigen bleek dat de beoogde strekking van de maatregel, namelijk beveiliging van de maatschappij, nog steeds relevant was. De persoonlijkheid van betrokkene en het moeizame verloop van de behandeling maakten de kans op terugval in delictgedrag realistisch. Betrokkene volgde een behandelprogramma, maar het niet voortvarende verloop was niet volledig buiten haar macht gelegen.

Het hof vernietigde daarom het besluit van de rechtbank Utrecht en zag geen grond om de maatregel te beëindigen. De voortzetting van de ISD-maatregel werd noodzakelijk geacht om de veiligheid van de maatschappij te waarborgen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het besluit tot beëindiging van de ISD-maatregel en acht voortzetting noodzakelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
ISD 2006\005
Beslissing d.d. 30 augustus 2006
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans verblijvende in [verblijfplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 3 mei 2006, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt beëindigd met ingang van 8 mei 2006.
Overwegingen:
Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken, hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard en omdat het tot een andere beslissing komt.
De rechtbank Utrecht heeft op 22 april 2004 aan betrokkene de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Hierbij is geadviseerd betrokkene te behandelen in de Dubbele Diagnose Kliniek of in een andere behandelsetting.
Er is bij betrokkene sprake van een ernstige stagnatie van de persoonlijkheidsontwikkeling en een sterke familiaire belasting met criminaliteit, geweld en afhankelijkheid van alcohol en drugs. De maatregel wordt gefaseerd uitgevoerd. De eerste fase betreft stabilisatie, de tweede fase interventies en de derde fase betreft het voorbereiden en uitvoeren van de extramurale fase.
De eerste fase is gebruikt om betrokkene te ontgiften en om structuur te geven. Betrokkene heeft de verstrekte methadon afgebouwd. De thans geïndiceerde interventies verlopen, gelet op de motivatie van betrokkene, moeizaam. Uit de brief van 11 april 2006 omtrent de stand van uitvoering van het plan van de veroordeelde volgt dat de kans op terugval met als reëel gevolg middelengebruik en recidive nog aanwezig wordt geacht. Betrokkene is inmiddels geplaatst op de wachtlijst voor de Dubbeldiagnoseafdeling van de Zwolse Poort te Raalte. Ze wordt uitgenodigd voor een ADHD screening bij de Zwolse Poort. Ook wordt ze uitgenodigd voor een medicijnconsult bij een psychiater verbonden aan de Zwolse Poort. Het wordt van belang geacht dat betrokkene de resterende tijd van de maatregel in een behandelsetting doorbrengt. Er kan op deze wijze volgende de getuige-deskundigen een aanzet tot verandering in levensstijl worden gemaakt.
Het hof dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders noodzakelijk is. Daarbij dient gezien de wettekst en de wetsgeschiedenis als beslissingskader te gelden: Er moet worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publiek domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt.
Naar het oordeel van het hof is de beoogde strekking van de maatregel -te weten beveiliging van de maatschappij- nog van betekenis. Op grond van de persoonlijkheid van betrokkene en de mede in samenhang daarmee moeizaam verlopende uitvoering van de maatregel acht het hof de kans op terugval van betrokkene in haar eerdere (delict-)gedrag bij beëindiging van de maatregel realistisch.
Voorts staat vast dat betrokkene een behandelprogramma wordt aangeboden. Van het niet erg voortvarende verloop van de behandeling van betrokken kan niet worden gezegd dat dit is veroorzaakt door een omstandigheid die (geheel) buiten de macht van betrokkene ligt. Het hof acht voortzetting van de maatregel noodzakelijk en ziet derhalve geen grond aanwezig om tot beëindiging van de maatregel over te gaan.
Beslissing :
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 3 mei 2006 met betrekking tot betrokkene [terbeschikkinggestelde].
Ziet geen grond om tot beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders over te gaan.
Aldus gedaan door
mr Abbink als voorzitter,
mrs Vegter en Van der Herberg als raadsheren,
en drs Poll en drs Van Iersel als raden,
in tegenwoordigheid van mr Van Ek als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2006.
Mr Vegter en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.