ECLI:NL:GHARN:2006:AY7670

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
23 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
VI 03-06
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a SrArt. 15b SrArt. 15c SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervroegde invrijheidstelling wordt geheel achterwege gelaten wegens ernstige misdragingen tijdens detentie

Het gerechtshof Arnhem heeft op 23 augustus 2006 uitspraak gedaan in hoger beroep betreffende de vordering van het openbaar ministerie tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde die een gevangenisstraf van 10 maanden uitzit.

De vordering werd ingediend op 4 mei 2006, binnen de termijn van dertig dagen voorafgaand aan de geplande vervroegde invrijheidstelling, en was daarmee ontvankelijk. De raadsman betoogde dat er geen sprake was van zware misdragingen, mede omdat niet kon worden vastgesteld dat zwaar lichamelijk letsel was toegebracht. Het hof oordeelde echter dat dit niet doorslaggevend is, aangezien de veroordeelde tevens verdacht wordt van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feiten uit het dossier toonden aan dat de veroordeelde zich ernstig had misdragen door het mishandelen van twee medegedetineerden, waarvoor hij van 27 april tot 11 mei 2006 in afzondering zat en waarvoor strafvervolging is ingesteld. Het hof vond deze gedragingen zeer ernstig en zag geen reden om de uitkomst van de lopende strafzaak af te wachten.

Daarom wees het hof de vordering van het openbaar ministerie toe en bepaalde dat de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde in zijn geheel achterwege blijft, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden en de ernst van de misdragingen tijdens de detentie.

Uitkomst: De vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde wordt in zijn geheel achterwege gelaten wegens ernstige misdragingen tijdens detentie.

Uitspraak

VI-nummer: 03-06
Uitspraak: 23 augustus 2006
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 4 mei 2006 ingekomen vordering van de officier van justitie te Utrecht van 4 mei 2006, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2006 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr Th. U. Hiddema, advocaat te Maastricht, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling geheel toe te wijzen.
Overwegingen
Grondslag van de vordering
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 28 februari 2006 van de rechtbank te Utrecht opgelegde gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Veroordeelde heeft van 27 april 2006 tot en met 11 mei 2006, bij wijze van disciplinaire straf, in afzondering in de strafcel gezeten in de P.I. Rijnmond, locatie De Schie, wegens het mishandelen van twee medegedetineerden. De betrokken medegedetineerden hebben aangifte gedaan. De officier van justitie is tot strafvervolging overgegaan. Veroordeelde dient op 1 september 2006 terecht te staan wegens zware mishandeling althans poging tot zware mishandeling en mishandeling.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering te laat is ingediend. De vordering is niet uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip waarop vervroegde invrijheidstelling zou moeten plaatsvonden ontvangen op de griffie van het gerechtshof.
Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Op 27 april 2006 hebben de feiten, die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, plaatsgevonden. Op 4 mei 2006 is de vordering ingediend. Naar het oordeel van het hof is de vordering onverwijld ingediend, zoals voorgeschreven bij artikel 15a, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal heeft ter zitting medegedeeld dat de voorlopige hechtenis nog voortduurt en dat nog tweeënnegentig dagen van de gevangenisstraf dienen te worden geëxecuteerd. Gelet op deze mededeling is de vordering uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip waarop vervroegde invrijheidstelling zou moeten plaatsvinden ingediend. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Ernstige misdraging
Tevens heeft de raadsman ter terechtzitting betoogd dat er geen sprake is van een zeer ernstige misdraging. Aan de hand van het dossier kan niet worden vastgesteld dat zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Dat één van de slachtoffers zijn neusvleugels heeft gebroken, volgt niet uit de medische verklaring.
Het hof is van oordeel, dat de voornoemde feiten, gepleegd na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf, en waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zeer ernstige misdragingen vormen in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman wordt niet gevolgd, nu niet bepalend is of er zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen gelet op de omstandigheid dat de veroordeelde tevens verdacht wordt van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Nu veroordeelde ter terechtzitting van dit hof op 9 augustus 2006 geen inzicht in de feiten heeft willen geven en aan de hand van het beschikbare dossier voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde zich zeer ernstig heeft misdragen, ziet het hof geen aanleiding de uitkomst van de lopende strafzaak tegen veroordeelde af te wachten.
Beoordeling van de vordering
De ernst van de misdragingen rechtvaardigt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde geheel achterwege blijft. Het hof zal daarom de vordering van de officier van justitie toewijzen, als na te melden.
Bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging binnen de penitentiaire inrichting opnieuw ernstig heeft misdragen alsmede de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst toe de vordering van de officier van justitie te Utrecht en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde in zijn geheel achterwege zal worden gelaten.
Aldus gewezen door:
mr P.C. Vegter, voorzitter
mrs R. van den Heuvel en R. de Groot, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier
en op 23 augustus 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.