ECLI:NL:GHARN:2006:AY9771
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- J.W.P. Verheugt
- J.A.W. Lensing
- H.G.W. Stikkelbroeck
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot het achterwege blijven van vervroegde invrijheidstelling wegens gebrek aan wettig bewijs
Het gerechtshof Arnhem heeft op 13 september 2006 uitspraak gedaan over een vordering van de advocaat-generaal tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde die een gevangenisstraf van zes jaren ondergaat. De vordering was gebaseerd op de stelling dat de veroordeelde zich na aanvang van de straf ernstig had misdragen door het plegen van een nieuw strafbaar feit.
Tijdens de openbare terechtzitting zijn de veroordeelde, zijn raadsman en de advocaat-generaal gehoord. De advocaat-generaal concludeerde tot afwijzing van de vordering. Het hof overwoog dat de zaak met betrekking tot het nieuwe strafbare feit was geseponeerd met code 02, wat betekent dat er geen wettig bewijs was voor het nieuwe strafbare feit.
Gezien het ontbreken van wettig bewijs achtte het hof, in overeenstemming met de advocaat-generaal, de vordering ongegrond en wees deze af. Het hof baseerde zich hierbij op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht, die betrekking hebben op de voorwaarden voor het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling.
De beslissing betekent dat de veroordeelde recht houdt op vervroegde invrijheidstelling conform de geldende wettelijke bepalingen, aangezien het nieuwe strafbare feit niet is bewezen.
Uitkomst: De vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling wordt afgewezen wegens gebrek aan wettig bewijs voor het nieuwe strafbare feit.