ECLI:NL:GHARN:2006:AY9771

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
VI 14/05
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a SrArt. 15b SrArt. 15c SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot het achterwege blijven van vervroegde invrijheidstelling wegens gebrek aan wettig bewijs

Het gerechtshof Arnhem heeft op 13 september 2006 uitspraak gedaan over een vordering van de advocaat-generaal tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde die een gevangenisstraf van zes jaren ondergaat. De vordering was gebaseerd op de stelling dat de veroordeelde zich na aanvang van de straf ernstig had misdragen door het plegen van een nieuw strafbaar feit.

Tijdens de openbare terechtzitting zijn de veroordeelde, zijn raadsman en de advocaat-generaal gehoord. De advocaat-generaal concludeerde tot afwijzing van de vordering. Het hof overwoog dat de zaak met betrekking tot het nieuwe strafbare feit was geseponeerd met code 02, wat betekent dat er geen wettig bewijs was voor het nieuwe strafbare feit.

Gezien het ontbreken van wettig bewijs achtte het hof, in overeenstemming met de advocaat-generaal, de vordering ongegrond en wees deze af. Het hof baseerde zich hierbij op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht, die betrekking hebben op de voorwaarden voor het achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling.

De beslissing betekent dat de veroordeelde recht houdt op vervroegde invrijheidstelling conform de geldende wettelijke bepalingen, aangezien het nieuwe strafbare feit niet is bewezen.

Uitkomst: De vordering tot het achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling wordt afgewezen wegens gebrek aan wettig bewijs voor het nieuwe strafbare feit.

Uitspraak

VI-nummer: 14/05
Uitspraak: 13 september 2006
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van Pro de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 28 december 2005 ingekomen vordering van de advocaat-generaal te Den Haag van 21 december 2005, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 13 september 2006 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr R. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling af te wijzen.
Overwegingen
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij arrest van 28 april 2004 van het gerechtshof te 's-Gravenhage opgelegde gevangenisstraf van zes jaren onvoorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelde zou zich opnieuw schuldig hebben gemaakt aan een nieuw strafbaar feit.
Gelet op het feit dat de zaak met betrekking tot het nieuwe strafbare feit, die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, is geseponeerd met als code 02 (= geen wettig bewijs), is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
- Wijst de vordering van de officier van justitie te Den Haag af.
Aldus gewezen door:
mr J.W.P. Verheugt, voorzitter
mrs J.A.W. Lensing en H.G.W. Stikkelbroeck, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier
en op 13 september 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.