ECLI:NL:GHARN:2006:AZ0395
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van Loo
- Korthals Altes
- Groefsema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis over afwijzing vordering wegens niet kennelijk onredelijk ontslag
Appellant was sinds 1976 in dienst bij Breed en werd in 2003 op non-actief gesteld. Na een positief advies van de Onafhankelijke Indicatiecommissie Sociale Werkvoorziening werd zijn arbeidsovereenkomst opgezegd wegens grove veronachtzaming van zijn arbeidsverplichtingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk was, onder meer omdat de indicatiecommissie geen getuigen had gehoord en omdat rekening had moeten worden gehouden met zijn psychische gesteldheid. Het hof oordeelde echter dat Breed een termijn van ruim vier maanden in acht had genomen en appellant voldoende gelegenheid had geboden zijn standpunt toe te lichten.
Het hof verwierp de grieven van appellant over het ontbreken van getuigenverhoor en over de inhoud van het advies van de indicatiecommissie. Ook vond het hof dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat het horen van getuigen tot een andere uitkomst had geleid. De stelling dat het ontslag een valse reden had was niet aannemelijk, nu Breed haar gronden had toegelicht.
Verder oordeelde het hof dat het ontbreken van een financiële regeling niet leidde tot kennelijk onredelijk ontslag, mede gelet op het feit dat appellant slechts voor 50% werkzaam was en dat er pogingen waren gedaan om hem aan passend werk te helpen. Het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellant af wegens niet onregelmatig of kennelijk onredelijk ontslag.