ECLI:NL:GHARN:2006:AZ5756

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
27 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-00030
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag omzetbelasting en matiging boete wegens overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998, waarbij belanghebbende en A B.V. sinds 29 december 1995 een fiscale eenheid vormen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze fiscale eenheid invloed heeft op de aanslag, waardoor het hof de aanslag vermindert tot ƒ 32.943 aan enkelvoudige belasting.

Daarnaast is in geschil of de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn verder moet worden gematigd. Het hof neemt de eerdere matiging van circa 30% over en past een verdere matiging toe tot 50%, wat leidt tot een boete van ƒ 1.567 en een verhoging van ƒ 2.551.

Het hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten van € 483 aan belanghebbende. De uitspraak is op 27 december 2006 gedaan en in het openbaar uitgesproken. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd en de boete gematigd tot 50% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
eerste meervoudige belastingkamer
nummer 06/00030
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X B.V.
te : Z
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst te P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 en de daarbij genomen beschikkingen met betrekking tot de verhoging en de boete
nummer : 0.F01.8501
mondelinge behandeling : op 13 december 2006 te Arnhem
waarbij verschenen : de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur
gronden:
1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 2006 geoordeeld dat belanghebbende en A B.V. met ingang van 29 december 1995 een fiscale eenheid vormen in de zin van artikel 7, vierde lid van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het geding is vervolgens verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.
2. Belanghebbende heeft in haar conclusie na verwijzing uiteengezet dat het oordeel van de Hoge Raad ertoe leidt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 dient te worden verminderd met een bedrag van ƒ 12.165 tot een bedrag van ƒ 32.943 aan enkelvoudige belasting. De verhoging en de boete dienen overeenkomstig te worden verminderd tot een verhoging van ƒ 5.102 (100%-75% * ƒ 20.407) en een boete van ƒ 3.134 (25% * 12.536). In zijn conclusie na verwijzing heeft de Inspecteur zich met deze cijfermatige opstelling verenigd.
3. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de boete verder dient te worden verminderd als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4. Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 17 juni 2004 de verhoging respectievelijk de boete reeds gematigd met ongeveer 30% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof neemt die matiging over. Ter zitting zijn partijen voorts nader overeengekomen de verhoging respectievelijk de boete verder te matigen tot 50%, zodat een compensatie voor bedoelde overschrijding wordt verleend van 50%. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Dit betekent dat de verhoging wordt verminderd tot ƒ 2.551 en de boete tot ƒ 1.567.
proceskosten:
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep in het kader van de verwijzingsprocedure bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1,5 punt voor de proceshandelingen maal € 322 maal wegingsfactor 1 ofwel € 483.
beslissing:
Het Gerechtshof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt het kwijtscheldingsbesluit;
- vermindert de onderhavige belastingaanslag tot een naar een bedrag van ƒ 32.943 aan enkelvoudige belasting;
- verleent kwijtschelding van de verhoging tot op ƒ 2.551;
- vermindert de boete tot ƒ 1.567;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 483 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Aldus gedaan op 27 december 2006 door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr.drs. W.A.P. Nieuwenhuizen, raadsheren.
De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 december 2006
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.