ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6242

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
14 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2006/229
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Knottnerus
  • Wefers Bettink
  • Prakke-Nieuwenhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 RvArt. 333 RvArt. 12 samenlevingsovereenkomstArt. 43 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken voorbehoud in samenlevingsovereenkomst

In deze zaak stond centraal of appellant ontvankelijk was in haar hoger beroep tegen vonnissen van de kantonrechter Arnhem. Partijen hadden een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin was bepaald dat geschillen door de kantonrechter zouden worden beslecht en dat partijen zich aan diens oordeel moesten onderwerpen.

Appellant had in eerste aanleg geïntimeerde gedagvaard, maar partijen hadden zich niet het recht van hoger beroep voorbehouden zoals vereist op grond van artikel 96 Rv Pro in samenhang met artikel 333 Rv Pro. Het hof oordeelde dat het ontbreken van dit voorbehoud betekende dat appellant niet-ontvankelijk was in haar hoger beroep.

Het hof wees erop dat artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst niet voorschreef dat partijen gezamenlijk een verzoek aan de kantonrechter moesten doen, maar dat ieder zich zelfstandig tot de kantonrechter kon wenden en zich aan diens oordeel moest onderwerpen. Hierdoor was hoger beroep uitgesloten zonder voorbehoud.

De grieven van appellant behoefden daarom geen inhoudelijke bespreking. Het hof veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens ontbreken van een voorbehoud van hoger beroep.

Uitspraak

14 november 2006
vijfde civiele kamer
rolnummer 2006/229
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
procureur: mr P.A.M. de Jong,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
procureur: mr J.M. Bosnak.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 4 juli 2005 en 16 januari 2006, gewezen tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiser in conventie en verweerder in reconventie. Van deze vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 [appellante] heeft bij exploot van 7 februari 2006 [geïntimeerde] aangezegd van voormelde vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.
2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en aan [appellante] zal toewijzen een door [geïntimeerde] aan haar te betalen en door het hof vast te stellen bedrag, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding, daaronder begrepen de kosten van het geding in eerste instantie.
2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof [appellante] niet-ontvankelijk (in haar vorderingen) in hoger beroep zal verklaren, althans (die vorderingen in) dat hoger beroep zal afwijzen, kosten rechtens.
2.4 Ter zitting van dit hof van 15 september 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door haar procureur en [geïntimeerde] door mr P.C. Tennekes, advocaat te De Bilt; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Voorts waren partijen aanwezig in persoon.
2.5 Partijen hebben vervolgens de stukken aan het hof overgelegd, waarna het hof een datum voor het wijzen van arrest heeft bepaald.
3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.1 Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [appellante] gesteld dat zij kan worden ontvangen in haar vorderingen in hoger beroep, nu zij in eerste aanleg is gedagvaard door [geïntimeerde] en er geen sprake van is dat zij en [geïntimeerde] zich gezamenlijk tot de kantonrechter hebben gewend. Artikel 96 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is volgens [appellante] dan ook niet van toepasssing.
3.2 [geïntimeerde] is van mening dat [appellante] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep, omdat deze zaak - overeenkomstig artikel 96 Rv Pro - rechtsgevolgen betreft die ter vrije bepaling van partijen staan, partijen zich samen tot de kantonrechter van hun keuze hebben gewend en zij zich het recht van hoger beroep niet hebben voorbehouden.
3.3 Blijkens artikel 12 van Pro de door partijen gesloten samenlevingsovereenkomst zal een geschil, voortvloeiend uit deze overeenkomst of uit daarop voortbouwende overeenkomsten, worden beslecht door de kantonrechter te Arnhem - indien het onmogelijk is gebleken het geschil op te lossen met behulp van mediation - op grond van het bepaalde in artikel 43 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (hof: het huidige artikel 96 Rv Pro) en is ieder van partijen bevoegd zich tot deze kantonrechter te wenden. Partijen zijn alsdan verplicht zich te onderwerpen aan zijn oordeel.
3.4 Ingevolge artikel 96 Rv Pro in verband met artikel 333 Rv Pro staat hoger beroep slechts open indien partijen zich dat beroep hebben voorbehouden. Nu vast is komen te staan dat partijen voormeld voorbehoud niet hebben gemaakt, kan [appellante] niet worden ontvangen in haar vorderingen in hoger beroep. Dat [appellante] [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gedagvaard, doet daar niet aan af, nu het inleiden van een artikel 96 Rv Pro procedure zich daartegen niet verzet en in artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst niet is bepaald dat partijen een gezamenlijk verzoek aan de kantonrechter moeten doen. Integendeel, in dit artikel is bepaald dat ieder van partijen bevoegd is zich tot de kantonrechter te wenden en dat partijen alsdan verplicht zijn zich te onderwerpen aan zijn oordeel.
3.5 De grieven behoeven derhalve geen bespreking. [appellante] zal in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld.
4 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.896,- voor salaris van de procureur en op € 248,- voor griffierecht;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs Knottnerus, Wefers Bettink en Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2006.