ECLI:NL:GHARN:2007:BA9194

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
11 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2007/341
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Groen
  • Smeeïng-van Hees
  • Vaessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 FwArt. 15b FwArt. 284 Fw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid verzoek WSNP ondanks ontbreken griffierbrief; schuld niet te goeder trouw

Appellant is door de rechtbank Arnhem failliet verklaard op verzoek van een schuldeiser. Zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. In hoger beroep stelt appellant dat hem geen brief van de griffier is toegezonden waarin de termijn van veertien dagen voor het indienen van het verzoek wordt vermeld, en dat hem ook tijdens de faillissementszitting hierover niets is medegedeeld.

Het hof stelt vast dat de griffier de brief niet heeft verzonden, maar dat de mededeling over de termijn in het oproepingsexploot van de faillissementsaanvragers stond. Dit voldoet niet aan het wettelijke vereiste dat de griffier de schuldenaar informeert, waardoor appellant ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.

De schuld aan Nuon van circa €22.552,75 is volgens het hof niet te goeder trouw ontstaan, omdat appellant zijn pand heeft laten gebruiken voor hennepkweek en de elektriciteitsmeter is gemanipuleerd. Hoewel appellant een lagere vordering betwist, doet dit niet af aan de niet te goeder trouwheid van de schuld.

Appellant voert bijzondere omstandigheden aan, waaronder zijn inzet om zijn leven te beteren, het afronden van een taakstraf en het vinden van werk. Het hof acht deze ommekeer positief, maar onvoldoende om nu al tot toelating tot de schuldsaneringsregeling over te gaan.

Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek van appellant af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

11 juni 2007
eerste civiele kamer
rekestnummer 2007/341
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. M.F. van Willigen.
1 Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 1 november 2006 is appellant (hierna te noemen: [appellant]) op verzoek van de naamloze vennootschap N.V. Continuon Netbeheer in staat van faillissement verklaard. Daarbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. D.M.I. de Waele en tot curator mr. M.M. Simon.
1.2 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2007 is het verzoek van [appellant] tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
1.3 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 30 maart 2007 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en het faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 27 april 2007, de twee brieven met bijlagen van 31 mei 2007 van de procureur. Het hof heeft voorts kennis genomen van de brief met bijlagen van 24 mei 2007 van de plaatsvervangend curator N.L.J.M. Rijssenbeek.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2007, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn procureur. De plaatsvervangend curator Rijssenbeek voornoemd is niet verschenen.
2.4 Het hof heeft voorts kennis genomen van de brief met bijlagen van 5 juni 2007 van de procureur, met daarin een reactie op de door het hof ter zitting opgeworpen vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoek.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ingevolge artikel 15b jo artikel 3 Faillissementswet Pro is de mogelijkheid voor de schuldenaar om – nadat het faillissement is uitgesproken op verzoek van schuldeisers – alsnog toepassing van de schuldsaneringsregeling te bewerkstelligen, beperkt tot het geval dat de schuldenaar wegens hem niet toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten binnen de in artikel 3 Faillissementswet Pro genoemde termijn van veertien dagen na verzending van de brief van de griffier opheffing van het faillis-sement en gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling te verzoeken.
3.2 In het onderhavige geval heeft de faillissementszitting plaatsgevonden op 1 november 2006 en heeft [appellant] pas op 1 februari 2007 een verzoekschrift tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hem geen brief bekend is van de griffier, waarin staat dat degene waarvoor het faillissement wordt aangevraagd binnen 14 dagen een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro kan indienen. Daarnaast is hem op de faillissementszitting evenmin verteld dat een dergelijk verzoek binnen een bepaalde tijd gedaan moet worden. [appellant] is derhalve van mening dat het niet binnen de termijn van artikel 3 lid 1 Faillissementswet Pro indienen van het verzoekschrift tot omzetting in de wettelijke schuldsaneringsregeling redelijkerwijs niet veroorzaakt is door aan hem toe te rekenen omstandigheden.
3.3 Het hof oordeelt als volgt. Uit ambtshalve navraag bij de rechtbank is gebleken dat aan [appellant] geen brief van de griffier als bedoeld in artikel 3 Faillissementswet Pro is verzonden, maar dat van de mogelijkheid van indiening van bedoeld verzoek mededeling is gedaan in het oproepingsexploot van de aanvragers van het faillissement. In het oproepingsexploot van 11 oktober 2006 staat (voor zover relevant) vermeld dat [appellant] binnen 14 dagen na uitreiking c.q. achterlating van dit exploot bij de faillissementsgriffie een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan indienen. Indien hij “binnen 14 dagen na heden” geen verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indient, wordt de faillissementsaanvraag in behandeling genomen, volgens dit exploot. Uit het feit dat [appellant] ter zitting van 1 november 2006 is verschenen leidt het hof af dat [appellant] dit oproepingsexploot heeft ontvangen. Daarmee is echter niet voldaan aan het wettelijk voorschrift van artikel 3 lid 1 Faillissementswet Pro, dat de griffier de schuldenaar de bewuste mededeling doet. Dit houdt in dat [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek.
3.4 Voorts overweegt het hof het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een schuld aan Nuon ten bedrage van volgens haar € 22.552,75 niet te goeder trouw is ontstaan. Deze schuld is ontstaan doordat [appellant] in oktober/november 2005 zijn pand aan de [adres] ter beschikking heeft gesteld voor het kweken van hennep. Hiervoor is de elektriciteitsmeter gemanipuleerd. Nuon vordert het bedrag van € 22.552,75 wegens het illegaal aftappen van elektriciteit. [appellant] heeft ter zitting de hoogte van deze vordering betwist en heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering lager moet zijn, namelijk ongeveer € 12.500,- omdat Nuon ten onrechte is uitgegaan van illegaal aftappen van elektriciteit vanaf augustus 2005. In die maand kan volgens [appellant] geen stroom illegaal zijn aftgetapt omdat de elektriciteit toen was afgesloten. Naar het oordeel van het hof doet het feit, dat de vordering van Nuon wellicht minder hoog is dan thans bekend, niet eraan af dat de schuld niet te goeder trouw is ontstaan.
3.5 [appellant] heeft voorts een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden. [appellant] heeft naar zijn zeggen op diverse wijzen geprobeerd om zijn financiële problemen op te lossen. Hij heeft zelf hulp gezocht en sinds april 2006 geeft hij blijk van de wil om datgene te doen wat nodig is om de zaken te regelen en zijn leven weer goed te leiden en weer aan het werk te komen. [appellant] heeft inmiddels zijn taakstraf afgerond en heeft per juni 2007 werk gevonden via een uitzendbureau. Het is de bedoeling dat hij 40 uur per week gaat werken, behalve wanneer hij nog afspraken heeft in het kader van het door hem gevolgde hulpverleningstraject. Daarnaast heeft [appellant] hulp gezocht bij de Gelderse Roos, waar hij binnenkort zal worden behandeld voor zijn depressies.
3.6 Het hof is van oordeel dat de voornoemde ommekeer in levensstijl weliswaar voor [appellant] pleit, maar dat deze ommekeer – afgezet tegen de aard, omvang en met name de recente ontstaansdatum van de schulden – nog onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat [appellant] reeds thans tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten.
4 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2007.
Dit arrest is gewezen door mrs. Groen, Smeeïng-van Hees en Vaessen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2007.