ECLI:NL:GHARN:2007:BB6902
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Valk
- Van der Beek
- Van Ditzhuijzen
- De Lorijn
- Rogaar
- Rechtspraak.nl
Afwijzing indeplaatsstelling en medepacht van zonen in pachtovereenkomsten
Appellant vorderde in hoger beroep dat zijn zonen in de plaats van hemzelf als (mede)pachters zouden worden gesteld in twee bestaande pachtovereenkomsten met de Gemeente Kampen. De pachtkamer in eerste aanleg had deze vorderingen afgewezen. Het hof toetste de vorderingen aan de per 1 september 2007 in werking getreden artikelen 7:363 en 7:364 BW.
Appellant bracht een begroting in om zijn belang bij voortzetting van de onderneming aan te tonen, maar faalde in het duidelijk maken hoe zijn zonen bij de exploitatie betrokken zouden worden. Eén zoon was niet verschenen en had geen verklaring overgelegd, terwijl de andere zoon geen concreet plan voor deelname aan de exploitatie kon geven en zelfs aangaf niet op de hoogte te zijn van bedrijfsplannen.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende gemotiveerd had betwist dat de voorgestelde (mede)pachters onvoldoende waarborgen boden voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Daarom werden de grieven verworpen en het vonnis van de pachtkamer bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de indeplaatsstelling en medepacht van de zonen niet wordt toegestaan wegens onvoldoende waarborgen.