ECLI:NL:GHARN:2007:BC4124
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van den Brink
- Smeeïng-van Hees
- Sijmons
- Rechtspraak.nl
Vordering nakoming boetebeding wegens schending aanbiedingsplicht afgewezen
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de vordering tot nakoming van een boetebeding wegens het niet naleven van een aanbiedingsplicht onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het hof oordeelde dat Ampatil niet had bewezen dat het ontbreken van aandelenoverdrachten en de financiële situatie van de onderneming een onaanvaardbare situatie opleverden.
De getuigenverhoren toonden aan dat de bank niet specifiek eisen stelde aan de betrokkenheid van appellant of diens ondernemingen en dat er onvoldoende bewijs was dat verdere financiering onmogelijk was of dat faillissement onafwendbaar was. Ook bleek dat Ampatil niet had onderzocht of alternatieve samenwerkingen mogelijk waren zonder de aandelenoverdrachten.
Verder stelde het hof vast dat appellant niet bewust de aanbiedingsplicht had geschonden en dat hij financiële middelen had kunnen inbrengen. Ook de door Ampatil aangevoerde omstandigheden, zoals de status van Jowo Beheer B.V. en eerdere transacties, boden onvoldoende grond om de vordering onaanvaardbaar te achten.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Breda en veroordeelde Ampatil tot betaling van het gevorderde bedrag, vermeerderd met rente, en in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot nakoming van het boetebeding toe en veroordeelt Ampatil tot betaling van € 453.780,22 plus rente en proceskosten.