ECLI:NL:GHARN:2008:BC7232
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Y.A.J.M. van Kuijck
- R. de Groot
- J.P.M. Kooijmans
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens ontbreken deugdelijke berekening
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht inzake een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht. Het openbaar ministerie had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar had geen afzonderlijke stukken overgelegd ter onderbouwing van de omvang van het voordeel.
De raadsman van de veroordeelde voerde aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard omdat de advocaat-generaal geen stukken had overgelegd waarop de vordering was gebaseerd, conform artikel 511b lid 2 Wetboek van Strafvordering. Het hof oordeelde echter dat er geen wettelijke bepaling bestaat die voorschrijft hoe het openbaar ministerie het ontnemingsdossier moet vormgeven en dat stukken van een afzonderlijk financieel onderzoek geen noodzakelijke voorwaarde zijn.
Het hof constateerde dat het strafdossier aanwijzingen bevatte dat de verdachte financieel voordeel had genoten, maar dat de omvang van dat voordeel en de kostenposten te diffuus waren om eenduidig vast te stellen. Het was daarom de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om een deugdelijke berekening te overleggen ter onderbouwing van de vordering.
Gezien het aanzienlijke tijdsverloop en de schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, achtte het hof het niet opportuun om het openbaar ministerie alsnog in de gelegenheid te stellen de onderbouwing aan te vullen. Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de ontnemingsvordering en vernietigde het het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een deugdelijke berekening en schending van de redelijke termijn.