ECLI:NL:GHARN:2008:BC9761

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
17 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
PIJ 2007\198
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Bartelds
  • Van der Herberg
  • Denie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 77s Wetboek van StrafvorderingArt. 509t Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging maatregel plaatsing in inrichting voor jeugdigen na opheffing voorlopige hechtenis

Betrokkene heeft gedurende het proefverlof voldaan aan de voorschriften van de reclassering en een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Op 13 november 2007 werd betrokkene in verzekering gesteld wegens verdenking van medeplichtigheid aan moord, maar de voorlopige hechtenis werd op 21 december 2007 opgeheven wegens onvoldoende ernstige bezwaren.

Het hof constateert dat er geen zicht is op resocialisatie en dat er geen behandeling meer plaatsvindt. Er is geen bewijs van een rechtens relevant verwijt in de nieuwe strafzaak. Hierdoor is verlenging van de maatregel niet noodzakelijk voor de veiligheid van anderen of de ontwikkeling van betrokkene.

De rechtbank had de verlenging van de maatregel niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden beslist, wat een vernietiging van die beslissing rechtvaardigt. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af en wijst de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel af, waarna de maatregel wordt beëindigd.

Uitkomst: De verlenging van de PIJ-maatregel wordt afgewezen en de maatregel wordt beëindigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
PIJ 2007\198
Beslissing d.d. 17 maart 2008
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
PIJgestelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [verblijfplaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 24 mei 2007, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twaalf maanden.
Overwegingen:
• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen, omdat het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en op grond van hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard.
• De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verzocht de behandeling aan te houden om te onderzoeken of een voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel tot de mogelijkheden behoort.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Artikel 77s, achtste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“Onze minister van justitie kan de maatregel te allen tijde, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen”.
De bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie is derhalve niet bevoegd om inhoudelijk op het verzoek te beslissen.
Het verzoek om aanhouding zal derhalve worden afgewezen.
• In het bijzonder gelet op de advisering en de verklaring van de getuige-deskundige ter zitting is het het hof duidelijk geworden dat betrokkene gedurende het tweejarige opvoedingstraject een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt waarbij de negatieve handhavingspatronen hebben plaatsgemaakt voor positieve beheersingspatronen. Daarna is per 11 mei 2007 het proefverlof ingegaan. De overgang naar huis is naar volle tevredenheid verlopen. Hij heeft zich gedurende het proefverlof gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. Op 13 november 2007 is betrokkene in verzekering gesteld in verband met een verdenking van medeplichtigheid aan moord. Op 21 december 2007 is de voorlopige hechtenis van betrokkene door het gerechtshof te ‘s-Gravenhage opgeheven omdat voornoemd gerechtshof onvoldoende ernstige bezwaren aanwezig achtte.
In verband met de nieuwe strafzaak waarin het onderzoek in volle gang is en het gegeven dat aan betrokkene in verband daarmee thans geen verlof wordt verleend, is er vooralsnog geen duidelijkheid over en geen zicht op resocialisatie. Van behandeling in welke vorm dan ook is geen sprake meer, althans andersluidende informatie is niet ter kennis van het hof gebracht. Ten aanzien van de nieuwe strafzaak is van belang dat uit geen enkel stuk blijkt welke rol betrokkene zou hebben gespeeld in die zaak. Of er sprake is van een rechtens relevant verwijt aan zijn adres kan dan ook niet worden vastgesteld.
In deze situatie kan niet aangenomen worden dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen en het belang van de verdere ontwikkeling van betrokkene verlenging van de maatregel vereist. De vordering van de officier van justitie dient derhalve te worden afgewezen en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dient te worden beëindigd.
Beslissing:
Het hof:
Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 24 mei 2007 met betrekking tot de betrokkene.
Wijst af het verzoek om aanhouding.
Wijst af de vordering van de officier van justitie.
Aldus gedaan door
mr Bartelds als voorzitter,
mrs Van der Herberg en Denie als raadsheren,
en drs Raes en drs Van Weers als raden,
in tegenwoordigheid van Van Lieshout-Witjes als griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2008.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen