ECLI:NL:GHARN:2008:BD1296
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Steeg
- Wesseling-Lubberink
- Van der Beek
- Rechtspraak.nl
Verval van recht op uitkering door opzettelijke misleiding bij inboedelverzekering
In deze zaak staat centraal of het niet nakomen van de meldingsplicht met opzet tot misleiding van de verzekeraar het verval van het recht op uitkering rechtvaardigt. De verzekerde had na een inbraak een televisie als gestolen opgegeven, terwijl deze later in zijn woning werd aangetroffen. Ondanks zijn stellingen dat dit een vergissing was en hij te goeder trouw handelde, oordeelt het hof dat sprake is van opzet tot misleiding.
De verzekeraar had de schadeclaim afgewezen en de verzekering beëindigd op grond van artikel 18 sub b van Pro de polisvoorwaarden, dat verval van het recht op uitkering bepaalt bij het tegen beter weten in geven van een onjuiste voorstelling van zaken. Het hof verbindt deze clausule aan de wettelijke bepalingen in artikel 7:941 BW Pro, waarin verval van uitkering wordt geregeld bij opzet tot misleiding.
Het hof acht de fraude met een waarde van € 500,- slechts een gering deel van de totale schadeclaim van € 26.000,-, maar dit vormt geen bijzondere omstandigheid die het verval van het recht op uitkering onrechtvaardig maakt. De verzekerde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de onjuiste opgave tijdig heeft gecorrigeerd, en zijn verklaringen over het aantreffen van de televisie worden niet geloofd.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover de verzekerde een uitkering werd toegekend en wijst deze vordering af. Tevens veroordeelt het hof de verzekerde tot vergoeding van een deel van de onderzoekskosten en proceskosten van de verzekeraar.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de verzekerde af wegens opzettelijke misleiding en veroordeelt hem tot vergoeding van onderzoekskosten en proceskosten.