ECLI:NL:GHARN:2008:BD2808

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
104.003.227
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Valk
  • Wesseling-Lubberink
  • Van Osch
  • mr. ing. Jansens van Gellicum
  • ir. Duenk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over financiële onmacht pachter en dwangsom bij overdracht varkensrechten

In deze zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem staat de vraag centraal of de pachter verplicht kan worden binnen 24 uur na betekening medewerking te verlenen aan de overdracht van fosfaatrechten voor varkens, onder dreiging van een dwangsom.

Het hof verwijst naar een eerder tussenarrest en heeft een comparitie van partijen gelast waarin de pachter zijn financiële onmacht moest onderbouwen. De pachter heeft diverse belastingaangiften en boekhoudrapporten overgelegd, waaruit blijkt dat hij onvoldoende middelen heeft om de benodigde varkensrechten aan te kopen.

De geïntimeerden hebben opmerkingen gemaakt op deze stukken, maar het hof acht de financiële onmacht voldoende aannemelijk. Daarnaast oordeelt het hof dat de proceskosten voor het hoger beroep voor rekening van de pachter komen, omdat hij niet tijdig stukken over de verkoop van varkensrechten heeft verstrekt.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de dwangsom betreft en wijst die vordering af, bekrachtigt het vonnis voor het overige en veroordeelt de pachter in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor zover de dwangsom wordt bevolen en wijst die vordering af wegens financiële onmacht van de pachter.

Uitspraak

13 mei 2008
pachtkamer
zaaknummer 104.003.227
rolnummer (oud) 2007/192 P KG
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. F.J. Boom,
tegen:
1. [geïntimeerde],
2. [geïntimeerde],
3. [geïntimeerde],
allen wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
procureur: mr. J.B.R. Daniëls.
1 Het verloop van het geding
1.1 Voor de procedure tot aan het arrest van 30 oktober 2007 (hierna: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat arrest.
1.2 Ingevolge het tussenarrest heeft op 11 januari 2008 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 Vervolgens heeft [appellant] bij memorie na comparitie gereageerd op een notitie van de accountant van [geïntimeerden], A. van Sprang. Daarbij heeft [appellant] twee producties in het geding gebracht.
1.4 Op de memorie van [appellant] hebben [geïntimeerden] bij antwoordmemorie gereageerd.
1.5 Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.
2 Voortgezette beoordeling van het geschil in hoger beroep
2.1 De bij het tussenarrest bevolen comparitie van partijen diende in de eerste plaats ertoe om [appellant] in de gelegenheid te stellen om alsnog zijn financiële onmacht – te beoordelen naar de situatie van eind 2006 – te onderbouwen.
2.2 Ten behoeve van de behandeling ter comparitie heeft [appellant] onder meer overlegd het stakingsrapport 2004, het rapport inkomstenbelasting 2004, de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2004, het rapport inkomstenbelasting 2005, de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2005, het boekhoudrapport 2006 en de aangifte inkomstenbelasting 2006 aan. Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] toegelicht dat de aanslag inkomstenbelasting 2006 nog niet beschikbaar is.
2.3 [geïntimeerden] hebben naar aanleiding van deze stukken diverse opmerkingen gemaakt, maar die opmerkingen kunnen niet wegnemen dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in financiële onmacht verkeert om zoveel eenheden varkensrecht aan te kopen als nodig om aan de in het tussenarrest onder 4.2, tweede volzin, bedoelde hoofdveroordeling te voldoen. In dit verband is onder meer van belang dat, naar volgt uit de aanslagen inkomstenbelasting 2004 en 2005, de fiscus geen aanleiding heeft gezien om in box 3 enig bedrag in aanmerking te nemen.
2.4 De comparitie van partijen diende in de tweede plaats om [appellant] in de gelegenheid te stellen om in te gaan op hetgeen [geïntimeerden] in hun memorie van antwoord onder 35 omtrent de proceskosten hebben aangevoerd.
2.5 Ter comparitie heeft [appellant] niet weersproken dat [geïntimeerden] noch van hem noch van zijn advocaat stukken hebben ontvangen met betrekking tot de verkoop van de varkensrechten vóór de memorie van grieven. Gelet daarop bestond voor [geïntimeerden] in redelijkheid aanleiding om in kort geding de overdracht van de met het gepachte samenhangende mestproductierechten te vorderen en zijn de kosten van het geding door [appellant] veroorzaakt.
2.6 De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover [appellant] is bevolen om binnen 24 uur na betekening van dat vonnis medewerking te verlenen aan de overdracht van 5.484 kg fosfaat voor varkens, althans het equivalent daarvan in productierechten, op straffe van een dwangsom van € 10.000,— per dag met een maximum van € 250.000,—, en dat de vordering van [geïntimeerden] in zoverre alsnog zal worden afgewezen, met bekrachtiging van dat vonnis – voor zover in dit hoger beroep betrokken – voor het overige en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. Conform hetgeen door [geïntimeerden] is gevraagd, zal het hof bepalen dat de proceskosten binnen veertien dagen na heden moeten worden voldaan, bij gebreke waarvan [appellant] in verzuim is.
3 Beslissing
Het hof, recht doende als voorzieningenrechter in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond, van 28 december 2006, voor zover [appellant] bij dat vonnis is bevolen om binnen 24 uur na betekening medewerking te verlenen aan de overdracht van 5.484 kg fosfaat voor varkens, althans het equivalent daarvan in productierechten, op straffe van een dwangsom van € 10.000,— per dag met een maximum van € 250.000,—, en doet in zoverre opnieuw recht;
wijst in zoverre de vorderingen van [geïntimeerden] af;
bekrachtigt genoemd vonnis – voor zover in dit hoger beroep betrokken – voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan dit arrest aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 251,— voor griffierecht en op € 2.235,— voor salaris procureur, te voldoen binnen veertien dagen na heden, bij gebreke waarvan [appellant] in verzuim is.
Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Wesseling-Lubberink en Van Osch en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ir. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2008.