ECLI:NL:GHARN:2008:BD5802
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Janse
- Zandbergen
- Schepen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afwijzing bankvordering wegens ontbreken werkelijk voordeel minderjarige
In deze civiele zaak vordert de bank betaling van €39.000,00 van appellant, een minderjarige, op grond van onverschuldigde betaling. De rechtbank had de vordering toegewezen en appellant veroordeeld in de proceskosten.
Appellant stelt dat hij niet werkelijk voordeel heeft gehad van de gelden, omdat hij onder dwang zijn bankpas en pincode aan een medescholier heeft gegeven die de bedragen van zijn rekening heeft opgenomen. De bank heeft dit betwist, maar heeft geen specifiek bewijs geleverd dat appellant daadwerkelijk voordeel heeft genoten.
Het hof oordeelt dat de bank in eerste aanleg niet heeft gesteld dat het ontvangen bedrag appellant tot werkelijk voordeel heeft gestrekt en dat de algemene stelling dat appellant de enige was die voordeel had onvoldoende is. Het bewijsaanbod van de bank voldoet niet aan de eisen. Daarom slaagt de grief van appellant dat de rechtbank artikel 6:209 BW Pro heeft miskend.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van de bank af, waarbij de bank wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van de bank af wegens ontbreken van bewijs dat appellant werkelijk voordeel heeft gehad.