ECLI:NL:GHARN:2008:BG1744

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
22 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-00262
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AWBArt. 6:6 AWBArt. 8:75 AWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep navorderingsaanslag wegens ontbreken gronden

Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 2000, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden van beroep. Belanghebbende stelde verzet in en kreeg daarin gelijk, waarna de Rechtbank opnieuw het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem.

Het geschil betrof primair de ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair de vraag of de navorderingsaanslag terecht was opgelegd. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur tijdens de Rechtbankprocedure had toegezegd de zaak te seponeren vanwege zijn financiële situatie, waarop hij een beroep deed op het vertrouwensbeginsel.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende wel ontvankelijk was in hoger beroep, maar dat hij geen bewijs had geleverd voor de toezegging van de Inspecteur. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd daarom verworpen. Verder werden geen andere gronden aangevoerd die de uitspraak van de Rechtbank konden doen wijzigen. Het verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling diende rechtstreeks bij de Belastingdienst te worden ingediend.

Het Gerechtshof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitspraak

uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belasting
nummer 07/00262
uitspraakdatum: 22 oktober 2008
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
X te Z (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 13 maart 2007, nummer AWB 06/2561, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 met dagtekening 27 mei 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer 1.H07) in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd die is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.980 (€ 15.873). Gelijktijdig met het opleggen van deze navorderingsaanslag heeft de Inspecteur bij beschikking ƒ 1.036 (€ 470) aan heffingsrente in rekening gebracht.
1.2. Bij uitspraak van de Inspecteur van 21 maart 2006 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur is door de Rechtbank bij uitspraak van 18 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.
1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet aangetekend.
1.5. Bij uitspraak van 22 november 2006 is het verzet van belanghebbende gegrond verklaard.
1.6. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur is door de Rechtbank bij uitspraak van 13 maart 2007, nrs. AWB 06/2561 en AWB 06/2562, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van beroep.
1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Tot de stukken van het geding behoren het beroepschrift in hoger beroep van belanghebbende en het verweerschrift in hoger beroep van de Inspecteur, beide met de daarin genoemde bijlagen, alsmede een brief van belanghebbende d.d. 20 augustus 2008.
1.8. Bij het onderzoek ter zitting in hoger beroep op 27 augustus 2008 is de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbende is, met kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.
1.9. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. Vaststaande feiten
Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen de Rechtbank hieromtrent in haar uitspraak van 13 maart 2007 heeft vastgesteld.
De uitspraak van de Rechtbank is aan deze uitspraak gehecht.
3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen
3.1. Partijen houdt primair verdeeld, of belanghebbende ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Subsidiair houdt partijen verdeeld of belanghebbende door de Rechtbank terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep. Meer subsidiair houdt partijen verdeeld of de Inspecteur bij belanghebbende ter zitting van de Rechtbank het vertrouwen heeft gewekt dat de onderhavige navorderingsaanslag niet zou worden ingevorderd.
3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd hetgeen is vermeld in de van haar afkomstige stukken.
3.3. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.
3.4. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep – naar het Hof begrijpt – de invordering van de aanslag definitief te stoppen.
3.5. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijk verklaring van belanghebbende in zijn hoger beroep en subsidiair en meer-subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB) bepaalt dat de indiener van een beroepschrift ten minste – onder meer – de gronden van het beroep dient te bevatten. Op grond van artikel 6:6 van Pro de AWB kan de indiener niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet aan het vereiste van artikel 6:5 AWB Pro is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit de inhoud van belanghebbendes hoger beroepschrift van 17 april 2007, in samenhang met belanghebbendes brief van 20 augustus 2008, blijkt dat hij in hoger beroep komt omdat de Inspecteur tijdens de mondelinge behandeling van de procedure bij de Rechtbank meerdere malen zou hebben aangegeven dat de zaak in verband met belanghebbendes financiële situatie zou worden geseponeerd. Het Hof verstaat belanghebbende aldus dat hij een beroep doet op opgewekt vertrouwen in verband met een door de Inspecteur gedane toezegging. Gelet hierop heeft belanghebbende een grond aangevoerd voor zijn hoger beroep zodat hij in zijn hoger beroep ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.2. De bewijslast dat de Inspecteur een toezegging zou hebben gedaan als hiervoor bedoeld, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft dienaangaande evenwel geen enkel bewijs bijgebracht. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de Rechtbank is evenmin van enige toezegging ter zake gebleken zodat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.
4.3. Belanghebbende heeft voor het overige geen gronden aangevoerd tegen de uitspraak van de Rechtbank. Ook overigens is het Hof niet gebleken dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand kan blijven.
4.4. Voor zover belanghebbende overigens heeft bedoeld te betogen dat hij in aanmerking komt voor kwijtschelding van de aan hem opgelegde navorderingsaanslag, dan wel om een betalingsregeling te verzoeken, dient hij zich met dit verzoek te wenden tot de ontvanger van de Belastingdienst van zijn woonplaats.
4.5. Gelet op al het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.
5. Slotsom
Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Kosten
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.
7. Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. J. Lamens en mr. J.A. Monsma, in aanwezigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.
De beslissing is op 22 oktober 2008 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(A.W.M. van der Waerden) (D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo)
Afschriften van de uitspraak zijn aangetekend per post verzonden op 23 oktober 2008
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
postbus 20303, 2500 EH Den Haag
(bezoekadres: Kazernestraat 52).
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.