ECLI:NL:GHARN:2008:BG1744
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep navorderingsaanslag wegens ontbreken gronden
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 2000, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden van beroep. Belanghebbende stelde verzet in en kreeg daarin gelijk, waarna de Rechtbank opnieuw het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem.
Het geschil betrof primair de ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair de vraag of de navorderingsaanslag terecht was opgelegd. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur tijdens de Rechtbankprocedure had toegezegd de zaak te seponeren vanwege zijn financiële situatie, waarop hij een beroep deed op het vertrouwensbeginsel.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende wel ontvankelijk was in hoger beroep, maar dat hij geen bewijs had geleverd voor de toezegging van de Inspecteur. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd daarom verworpen. Verder werden geen andere gronden aangevoerd die de uitspraak van de Rechtbank konden doen wijzigen. Het verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling diende rechtstreeks bij de Belastingdienst te worden ingediend.
Het Gerechtshof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.