ECLI:NL:GHARN:2008:BG1994

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
1 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
104.008.032
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Smeeïng-van Hees
  • Van den Brink
  • Groen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:136 BWArt. 237 lid 4 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot vaststelling en betaling van nakosten na arrest ontbinding vennootschap onder firma

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem het verzoek van verzoeker toegewezen om nakosten van €199,- vast te stellen en te gelasten tot betaling door verweerder. Dit verzoek volgde op een eerder arrest waarbij verweerder in het ongelijk werd gesteld en veroordeeld tot proceskosten.

Verweerder voerde verweer met een beroep op verrekening van een vordering van €11.456,71 uit hoofde van energieverbruik van de ontbonden vennootschap onder firma (v.o.f.), maar verzoeker betwistte de hoogte van deze vordering en stelde dat verweerder zelf een hogere schuld aan de v.o.f. heeft. Tevens stelde verzoeker dat de vordering van verweerder niet privé op hem kan worden verhaald.

Het hof oordeelde dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet eenvoudig vast te stellen is, mede omdat partijen nog moeten afrekenen in een lopende procedure bij de rechtbank Arnhem. Gezien het feit dat verweerder niet heeft weersproken dat de nakosten zijn gemaakt, wees het hof het verzoek toe conform artikel 6:136 BW Pro en artikel 237 lid 4 Rv Pro. De nakosten werden vastgesteld op €199,- en verweerder werd bevolen dit bedrag te betalen aan verzoeker.

De beschikking werd gegeven in een openbare terechtzitting op 1 juli 2008 door de kamer bestaande uit de genoemde rechters.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vaststelling en betaling van nakosten van €199 toe en beveelt verweerder tot betaling aan verzoeker.

Uitspraak

1 juli 2008
eerste civiele kamer
zaaknummer 104.008.032
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
procureur: mr. W.D. Huizinga.
tegen:
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder.
1 Het verloop van het geding
1.1 In de procedure tussen partijen met rolnummer 2006/644 heeft het hof Arnhem bij arrest van 1 mei 2007 verweerder (hierna: [verweerder]) als de in het principaal beroep in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, tot aan die uitspraak aan de zijde van verzoeker (hierna: [verzoeker]) begroot op € 894,-- voor salaris van de procureur en op € 296,-- voor griffierecht. Het hof verwijst naar dit arrest, dat in fotokopie aan deze beschikking is gehecht.
1.2 Met een ter griffie op 13 december 2007 ingekomen verzoekschrift, gericht tegen [verweerder], heeft [verzoeker] het hof verzocht de na voornoemd arrest gevallen kosten overeenkomstig artikel 237 lid 4 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten op € 199,-- en daarvoor een bevelschrift ex artikel 237 lid 4 Rv Pro af te geven.
1.3 Bij een ter griffie op 24 januari 2008 verweerschrift heeft mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, namens [verweerder] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof het verzoek van [verzoeker] zal afwijzen.
1.4 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en het verweerschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief van 27 februari 2008 van mr. L.G.M. Delahaije, namens [verzoeker], en van de brief van 10 maart 2008 van mr. Lam voornoemd.
2 De motivering van de beslissing op het verzoek
2.1 [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat na voornoemd arrest kosten in de zin van artikel 237 lid 4 Rv Pro zijn gemaakt, teneinde [verweerder] tot nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het arrest te bewegen.
2.2 [verweerder] beroept zich op verrekening. Hij stelt dat hij, ter zake van het energieverbruik van de door partijen in 1988 aangegane en door het hof op 1 mei 2007 ontbonden vennootschap onder firma (hierna: de v.o.f.), een opeisbare vordering heeft op [verzoeker] van € 11.456,71.
2.3 [verzoeker] erkent dat [verweerder] een vordering heeft op de v.o.f. uit hoofde van door [verweerder] ten behoeve van de vof betaald energieverbruik, maar betwist de hoogte daarvan. Hij stelt voorts dat [verweerder] op zijn beurt nog een schuld van meer dan € 20.000,-- aan de v.o.f. heeft, zodat, zelfs indien [verweerder] zich jegens de v.o.f. terecht op verrekening zou beroepen, de vordering van [verweerder] wegvalt tegen de hogere vordering van [verzoeker] als (ex-)firmant op [verweerder]. Daarnaast stelt [verzoeker] dat de vordering van [verweerder] op de v.o.f. niet zonder meer op hem privé kan worden verhaald.
2.4 Het hof overweegt dat, nu door [verweerder] niet is weersproken dat de door [verzoeker] gestelde nakosten zijn gemaakt, de vordering in beginsel voor toewijzing vatbaar is. Het hof is van oordeel dat de gegrondheid van het beroep op verrekening van [verweerder] niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, gelet op het verweer van [verzoeker] en het feit dat partijen in het kader van de v.o.f. nog met elkaar moeten afrekenen, terwijl die afrekening inzet is van de bij de rechtbank Arnhem aanhangige procedure. Het hof wijst de vordering van [verzoeker] derhalve toe, gezien het bepaalde in artikel 6:136 van Pro het Burgerlijk Wetboek, en stelt de nakosten vast op € 199,--.
3 De beslissing
Het hof, beschikkende op het verzoek,
wijst het verzoek toe en stelt de nakosten, zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv Pro, vast op € 199,--;
beveelt [verweerder] dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeeïng-van Hees, Van den Brink en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2008.