ECLI:NL:GHARN:2008:BG3899

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
5 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-00433
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 ZvwArt. 42 ZvwArt. 43 lid 1 ZvwArt. 120 GrondwetArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige aanslag Zorgverzekeringswet na principiële bezwaren

Belanghebbende kreeg een voorlopige aanslag van €646 opgelegd op grond van de Zorgverzekeringswet, welke hij betwistte met principiële bezwaren tegen de wet zelf. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die de aanslag handhaafde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem.

Het hof oordeelde dat de rechter niet bevoegd is om formele wetten zoals de Zorgverzekeringswet te toetsen aan hun innerlijke waarde, billijkheid of grondwettigheid. Ook kon de wet niet worden getoetst aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens omdat deze niet bindend is in die zin. Verder zag het hof geen strijd met verdragsbepalingen zoals het EVRM, het Europees Sociaal Handvest of BUPO, omdat de wet de volksgezondheid dient.

Belanghebbendes stelling dat de Belastingdienst niet bevoegd zou zijn als verzekeraar faalde omdat de Belastingdienst niet als verzekeraar optreedt in het kader van de wet. De voorlopige aanslag werd dan ook terecht opgelegd. Het hoger beroep werd verworpen en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het Gerechtshof Arnhem bevestigt de voorlopige aanslag en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belasting
nummer 07/00433
uitspraakdatum: 5 november 2008
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 12 juli 2007, nummer AWB 06/6293, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/R (hierna: de Inspecteur) betreffende na te melden voorlopige aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet opgelegd ten bedrage van € 646.
1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.3. Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
1.5. De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad op 22 oktober 2008 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur.
1.6. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.
2. Feiten
2.1. Belanghebbende woont in Nederland. Hij genoot in het onderhavige jaar (2006) - naast een uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet - winst uit een door hem in de vorm van een vennootschap onder firma gedreven onderneming.
2.2. Ter zake van de winst uit onderneming heeft de Inspecteur van belanghebbende door middel van de onderwerpelijke voorlopige aanslag een inkomensafhankelijke bijdrage geheven als bedoeld in de artikelen 41, 42 en 43, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet (hierna: de Wet). De voorlopige aanslag beloopt een bedrag van € 646.
2.3. Belanghebbende heeft deze voorlopige aanslag vergeefs bestreden in bezwaar bij de Inspecteur en in beroep bij de Rechtbank.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur gerechtigd is de onderhavige inkomensafhankelijke bijdrage van belanghebbende te heffen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting nog hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.
3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, die van de Inspecteur en van de voorlopige aanslag.
3.4 De Inspecteur concludeert daarentegen tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Belanghebbende betwist niet dat de onderhavige voorlopige aanslag is opgelegd overeenkomstig de bepalingen van de Wet. Hij heeft evenwel principiële bezwaren tegen de (invoering van de) Wet.
4.2. Dienaangaande dient het volgende te worden vooropgesteld. De Wet vormt een wet in formele zin. De rechter is niet bevoegd de innerlijke waarde of billijkheid van formele wetgeving te toetsen. Evenmin is de rechter bevoegd een wet in formele zin te toetsen op de grondwettigheid ervan (artikel 120 van Pro de Grondwet), aan andere formele wetten of aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. De grieven van belanghebbende dat de Wet in strijd is met de beginselen van het verzekeringsrecht, artikel 7:925 e.v. BW en artikel 22 van Pro de Grondwet stuiten reeds hierop af.
4.3. De rechter is wel bevoegd te toetsen of wetten in formele zin verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties (artikel 94 van Pro de Grondwet).
4.4. Artikel 25 van Pro de Universele verklaring van de rechten van de mens, waarop belanghebbende zich te dezen onder meer beroept, vormt geen “een ieder verbindende bepaling” in evenbedoelde zin, zodat de Wet door de rechter niet aan die bepaling kan worden getoetst.
4.5. Belanghebbende stelt voorts dat de Wet in strijd komt met de artikelen 8 en 9 van het EVRM, artikel 13 van Pro het Europees Sociaal Handvest en artikel 18 BUPO Pro. Het Hof vermag echter niet in te zien dat de Wet in strijd komt met de in genoemde verdragsbepalingen genoemde rechten en vrijheden. Bedoelde verdragsbepalingen sanctioneren immers inmenging van enig openbaar gezag in het belang van (onder meer) de bescherming van de (volks)gezondheid. Dat de Wet de bescherming van de gezondheid (mede) dient, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet worden betwijfeld.
4.6. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst niet bevoegd is als verzekeraar op te treden faalt, reeds omdat de Belastingdienst in het kader van de Wet niet als verzekeraar optreedt.
4.7. De onderhavige aanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.
4.8. Het hoger beroep faalt.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Aldus gedaan te Arnhem door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A. J. Kromhout en mr. J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2008
De griffier, De voorzitter,
( A. Vellema) (R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.