ECLI:NL:GHARN:2008:BH4105

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
15 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.003.388
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Smeeïng-van Hees
  • Van den Brink
  • Meijer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 288 lid 2 onder d FwArt. 350 lid 3 onder a FwArt. 350 lid 3 onder b FwArt. 350 lid 3 onder d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling na eerdere beëindiging

Appellante verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, nadat de rechtbank Zutphen dit verzoek op 5 maart 2008 had afgewezen wegens gegronde vrees dat zij haar verplichtingen niet zou nakomen. Deze vrees was gebaseerd op het feit dat appellante zonder kennisgeving niet was verschenen bij eerdere zittingen.

Appellante betwistte dit en gaf aan dat zij op de eerste zitting een voogdijzitting had en dat de toelatingszitting zou worden verplaatst, maar zij had de oproep voor de tweede zitting niet ontvangen. Uit stukken bleek dat appellante eerder al onder de schuldsaneringsregeling viel, die tussentijds was beëindigd wegens het niet nakomen van afspraken en het ontstaan van nieuwe schulden.

Het hof oordeelde dat deze eerdere tussentijdse beëindiging een imperatieve afwijzingsgrond vormt op grond van artikel 288 lid 2 onder Pro d Faillissementswet. Daarom werd het hoger beroep verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt niet toegewezen.

Uitspraak

15 mei 2008
eerste civiele kamer
zaaknummer 200.003.388
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
procureur: mr. J.A.C. van Etten.
1 Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 5 maart 2008 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 13 maart 2008 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dit vonnis te vernietigen en te bepalen dat ten aanzien van haar de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de door de advocaat van [appellante] ter zitting overgelegde verklaring schuldsanering met het daarbij behorende schuldenoverzicht en de brief van 20 maart 2008 van Y. Bron, bewindvoerder bij Obin.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 april 2008, waarbij [appellante], ondanks behoorlijke oproeping, niet is verschenen. Namens haar verscheen mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, die ter zitting nog enkele stukken uit de eerste aanleg heeft overlegd.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat gegronde vrees bestaat dat [appellante] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. De rechtbank leidt deze vrees af uit het feit dat [appellante], ondanks behoorlijke oproeping, zowel ter zitting van 28 januari 2008 als van 3 maart 2008 zonder kennisgeving niet is verschenen.
3.2 [appellante] kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen en acht het onredelijk dat de rechtbank haar verzoek op deze grond heeft afgewezen. Zij stelt daartoe dat zij op 28 januari 2008 vrijwel tegelijkertijd met de toelatingszitting bij een voogdijzitting op dezelfde rechtbank aanwezig moest zijn. Namens haar heeft zekere [A.] de rechtbank gebeld en het probleem besproken. Met de rechtbank is afgesproken dat [appellante] de voogdijzitting zou bijwonen en dat de toelatingszitting zou worden verplaatst naar een andere datum. Vervolgens heeft [appellante] de oproep voor de tweede zitting nimmer ontvangen. Zij had er zodoende geen weet van dat de behandeling van haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op 3 maart 2008 zou plaatsvinden.
3.3 Uit de door mr. Scheffer eerst ter zitting overgelegde schuldsaneringsverklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 van Pro de Faillissementswet (hierna: Fw) blijkt, dat op [appellante] eerder de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en wel binnen de in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw genoemde termijn, te weten: in de periode 25 september 2001 tot 11 december 2003 en dat zij vanaf 11 december 2003 tot 4 februari 2004 van rechtswege in staat van faillissement heeft verkeerd, welk faillissement is opgeheven wegens gebrek aan baten. Met instemming van mr. Scheffer heeft de griffier van het hof de rechtbank Zutphen om een afschrift verzocht van het vonnis van 2 december 2003, waarin de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds werd beëindigd met als gevolg dat [appellante] van rechtswege in staat van faillissement kwam te verkeren. Het hof heeft op 29 april 2008 een afschrift van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 2 december 2003 ontvangen en een kopie daarvan aan mr. Scheffer verzonden.
3.4 Uit het vonnis van de rechtbank Zutphen van 2 december 2003 blijkt dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] destijds tussentijds heeft beëindigd, omdat [appellante] haar afspraken niet was nagekomen en nieuwe bovenmatige schulden had laten ontstaan. Naar het oordeel van het hof levert deze omstandigheid - de eerdere schuldsaneringsregeling - een imperatieve afwijzingsgrond op als bedoeld in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw, nu de tussentijdse beëindiging door de rechtbank destijds niet is gegrond op artikel 350 lid 3 onder Pro a of b Fw en evenmin uitsluitend op artikel 350 lid 3 onder Pro d, om redenen die [appellante] niet waren toe te rekenen. Omdat het thans voorliggende toelatingsverzoek van [appellante] reeds op deze grond moet worden afgewezen, behoeven de overige door haar aangevoerde gronden en omstandigheden geen bespreking.
3.5 Het hoger beroep faalt derhalve. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 5 maart 2008.
Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-van Hees, Van den Brink en Meijer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2008.