ECLI:NL:GHARN:2008:BH6242
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen contractuele verplichting tot vestiging van bedrijf op aangekochte grond
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of appellant contractueel verplicht was zijn onderneming als eerste eindgebruiker op de door hem aangekochte grond te vestigen. De gemeente had gesteld dat deze verplichting bestond en vorderde een contractuele boete wegens niet-nakoming.
Het hof heeft geoordeeld dat de gemeente niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs voor deze verplichting. Uit getuigenverklaringen bleek dat de gemeente wel selecteerde op basis van bedrijfsactiviteit, maar dat dit niet automatisch inhield dat een juridische verplichting tot vestiging werd opgelegd. Ook het ontbreken van een vervreemdingsverbod en de verklaringen van getuigen bevestigden dat appellant redelijkerwijs niet hoefde te begrijpen dat hij contractueel verplicht was zijn bedrijf op de grond te huisvesten.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en werd de gemeente veroordeeld tot terugbetaling van de betaalde boete, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werd de gemeente veroordeeld in de kosten van beide instanties. De overige vorderingen van appellant werden afgewezen omdat deze onvoldoende waren onderbouwd.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de gemeente tot terugbetaling van de boete en betaling van proceskosten.