ECLI:NL:GHARN:2009:BH6776
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Mollema
- Kuiper
- Zuidema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid civiele rechter bij stopzetting vergoeding pleegzorg en mislukte cessie
Appellant verbleef vanaf 1991 in een pleeggezin en ontving een vergoeding voor pleegzorg die in 2005 door de stichting werd stopgezet. Appellant vorderde betaling van achterstallige vergoedingen en stelde dat de stichting wanprestatie had gepleegd. De rechtbank wees de vordering bij verstek toe, maar de stichting voerde verweer dat de civiele rechter onbevoegd was omdat het besluit tot stopzetting bestuursrechtelijk was en bezwaar en beroep openstonden.
Het hof oordeelt dat de stichting als bestuursorgaan moet worden aangemerkt bij de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg, waardoor het besluit tot stopzetting bestuursrechtelijk is en bezwaar en beroep openstaan. Appellant is daarom niet-ontvankelijk voor zover zijn vordering ziet op dit besluit. Het hof bepaalt dat appellant alsnog bezwaar kan maken tegen het besluit, waarbij de termijn opnieuw gaat lopen.
Daarnaast oordeelt het hof dat de oorspronkelijke overeenkomst met een zusterinstelling is gesloten en vervallen was bij het einde van de voogdij, zodat de cessie van rechten aan appellant niet slaagt. De vordering wordt daarom afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk voor zover de vordering betrekking heeft op het bestuursrechtelijke besluit tot stopzetting van de vergoeding en kan alsnog bezwaar maken; de overige vorderingen worden afgewezen.