ECLI:NL:GHARN:2009:BH6941
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling heffingsgrondslag fosfaatheffing geitenhouder met uitsluiting begin- en eindvoorraden
Belanghebbende, een geitenhouder, kreeg voor het jaar 2003 een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd. De Inspecteur had de begin- en eindvoorraden van dierlijke mest niet in de heffingsgrondslag betrokken, wat belanghebbende betwistte. Na bezwaar en gedeeltelijke vermindering van de aanslag door de Inspecteur, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de begin- en eindvoorraden van mest in de potstal bij de heffingsgrondslag betrokken moesten worden. Het hof oordeelde dat de wetgever en de Minister bewust hadden gekozen deze voorraden van geitenmest uit te sluiten van de heffingsgrondslag, zoals blijkt uit de Meststoffenwet en de bijbehorende regelingen.
Het hof stelde vast dat de brief van belanghebbende van 16 augustus 2006 als een tijdig beroepschrift moest worden aangemerkt, waardoor de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd. De naheffingsaanslag, verminderd tot € 22.248, bleef gehandhaafd. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en handhaaft de naheffingsaanslag fosfaatheffing verminderd tot € 22.248.